Hollandse kolonisten

Hollandse zeevaarders van de West-Indische Compagnie (WIC) zochten een nieuw steunpunt in ‘De West’ voor de (zout)vaart op Zuid-Amerika, waar Nederlanders delen van Brazilië (Nieuw Holland) en de noordkust (Wilde Kust, tegenwoordig Suriname) hadden gekoloniseerd.

In 1633 hadden ze St.-Maarten aan de Spanjaarden moeten opgeven, maar in 1634 kostte het Johannes van Walbeeck en zijn mannen niet veel moeite geleidelijk beslag te leggen op Curaçao, waar slechts een paar Spaanse toezichthouders met hun indiaanse personeel leefden. Aruba en Bonaire volgden anderhalf jaar later.

Voor de Hollanders vormden de Antillen een handig steunpunt. De natuurlijke en diepe haven van Curaçao lag heel strategisch en diende als uitvalsbasis voor aanvallen tegen de Spanjaarden tijdens het laatste decennium van de Tachtigjarige Oorlog. Curaçao werd bovendien niet veel later een belangrijk centrum van de slavenhandel. Aruba was volledig ondergeschikt aan Curaçao en bleef een veefokkerij.

Verder hadden de heren van de WIC, net als de Spanjaarden, weinig belangstelling voor het eiland. De bevolking, een Hollandse commandeur met een paar ‘ruiters’ (soldaten) en hun gezinnen, een handjevol Spaanssprekende indianen en enkele Spaans-Venezolaanse geestelijken, leidden een simpel en tamelijk eenzaam bestaan.

Na opheffing van de WIC (1791) nam het aantal inwoners toe en groeide een levendige nederzetting rond de Paardenbaai: het begin van Oranjestad. Je zou kunnen zeggen dat de het gebrek aan belangstelling voor Aruba het eiland heeft gered. Plantages zoals op Bonaire en Curaçao waren er niet op Aruba, daarom heeft slavernij er nooit zo’n grote rol gespeeld. In 1795 waren er op Aruba slechts dertig zwarte slaven.