Niet met en niet zonder

Aruba heeft economische, culturele, politieke en veiligheidsbanden met Nederland (en in mindere mate met de andere eilanden), al is het soms tegen wil en dank. Er heerst een diepgewortelde ambivalentie over de relatie met het ‘moederland’, dat enerzijds als onmisbaar wordt gezien maar tegelijkertijd met argwaan en wrevel wordt bekeken. De meeste Arubanen hebben geen last van antikoloniale gevoelens (zoals men wel koestert op Curaçao), maar ergert zich aan de Hollandse betweterigheid en directheid.

Nederland probeert zich niet te veel met de interne zaken van het eiland te bemoeien, bang om van inmenging of zelfs kolonialisme beticht te worden. Ondanks alles zijn veel (maar niet alle) Arubanen er trots op dat ze bij Nederland horen en de Nederlandse taal spreken. In de jaren negentig van de 20e eeuw bekoelden de Arubaans-Nederlandse verhoudingen nadat Nederlandse politici kritiek hadden geuit op de gebrekkige rechtshandhaving, het te grote, logge ambtenarenapparaat en de ondoorzichtige verhouding tussen regering en bedrijfsleven.

Aruba stond ook internationaal in een kwaad daglicht vanwege vermeende banden met de Colombiaanse drugsmaffia en witwaspraktijken. Het eiland werd daarom een tijdlang gemeden, niet door toeristen maar door bonafide buitenlandse investeerders. Dankzij een interne ‘schoonmaak’ en versterking van politie en justitie is de kritiek geluwd en geldt Aruba binnen het Caribisch gebied als baken van politieke rust.