Politiek avontuur

Eind jaren veertig is het inkomen per hoofd op Aruba bijna tweemaal zo hoog als dat in het naoorlogse, verarmde Nederland. En dat allemaal dankzij de olie. Dit had ook gevolgen voor de politiek. Beslissingen die alleen het (bloeiende) Aruba aangingen werden genomen op Curaçao waar de Antilliaanse regering zat. Dat leidde tot gemor onder de Arubanen. Aruba was het zat om het verdiende oliegeld af te staan en wilde zeggenschap over eigen zaken. Al voor de Tweede Wereldoorlog werd aan de Koninkrijksregering de wens kenbaar gemaakt dat Aruba zich wilde afscheiden van Willemstad en met Nederland een rechtstreekse band wilde aangaan. Direct na de Tweede Wereldoorlog kwam het vraagstuk inzake zelfbestuur weer aan de orde. Na jaren van onderhandelen gaf koningin Juliana de Antillen in 1954 het recht op eigen bestuur, vastgelegd in het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden. Hierin verklaarden de Nederlandse Antillen, Suriname en Nederland op basis van vrijwilligheid en gelijkheid verder te willen gaan. De Antillen werden een autonoom gebied binnen het Koninkrijk der Nederlanden met een democratisch gekozen regering, gevestigd op Curaçao. Aruba bleef, met tegenzin, deel uitmaken van de Antillen. Nadat Suriname in 1975 onafhankelijk werd, wilde Nederland op korte termijn ook de Antillen onafhankelijkheid verlenen, als een staat van zes verbonden eilanden. Nu roerde Aruba zich weer, want dat was nu precies niet de bedoeling; het laatste wat Aruba wilde was onder leiding staan van het chaotische en verarmde Willemstad. Een nieuwe politieke partij, de M.E.P (Movimiento Electoral di Pueblo) maakte zich onder leiding van de charismatische Betico Croes hard voor de Arubaanse ‘separashon’. Dit vond de nodige weerklank bij de bevolking. Croes werd de ‘vader des vaderlands’ van Aruba.