Slavernij

Op buureiland Curaçao leeft het nog steeds, terwijl het op Aruba slechts zelden aan de orde komt: de slavernij. Niet onverklaarbaar: Aruba heeft weinig geleden onder het juk van de slavernij. Er waren slechts 30 slaven en zij waren ook nog ‘houseslaves’ en hoefden niet onder de meest vreselijke omstandigheden op de plantages te werken. Curaçao hield zelf slaven, maar was vooral de grootste doorvoerhaven van slaven: meer dan 500.000 Afrikanen werden via Curaçao en Brazilië verscheept.

Het eiland had (en heeft nog steeds) een diepe, natuurlijke haven en de schepen konden tot aan de kade van Willemstad komen. Op kurá hulanda (Hollands erf) werden de slaven van boord gehaald, in de brandend hete zon gezet en verhandeld. Sommigen bleven op het eiland en werden aan het werk gezet op de plantages, verspreid over het eiland. In 1795 brak bij plantage Kenepa (Knip) op de westpunt van het eiland een opstand uit, niet de enige slavenopstand in de regio. De leiders van de opstand werden geëxecuteerd, anderen kregen lijfstraffen, maar het leidde uiteindelijk wel tot de afschaffing van de slavernij in 1863.

De 7000 slaven die toen op het eiland woonden en werkten werden vrijgelaten en nestelden zich uiteindelijk in het westdeel van de stad dat Otrobanda zou worden. Hier heeft de vermogende Nederlander Jacob Gelt Dekker Kurá Hulanda geopend: behalve een historisch gerestaureerd stadsdeel met een hotel en drie restaurants ook een museum, geheel aan de geschiedenis van de slavernij gewijd.

Voor zo’n honderd euro vlieg je (zelfs op één dag) naar Curaçao, het is slechts een vlucht van een half uurtje. www.kurahulanda.com