Spaanse ontdekkers

Aruba werd ontdekt in een periode dat Europeanen de grenzen verkenden van de wetenschap, godsdienst en de aarde. Columbus zocht een weg naar Azië via het westen en ontdekte de Bovenwindse Eilanden in 1493. De Spanjaard Alonso de Ojedo, reisgezel van een andere bekende ontdekkingsreiziger, Amerigo Vespucci, zette volgens de overlevering zes jaar later als eerste Europeaan voet op Bonaire en Curaçao. Hij claimde de eilanden voor zijn beschermvrouwe koningin Isabella van Spanje. Of De Ojedo ook op Aruba kwam is niet zeker.

In elk geval verscheen het eiland in 1499 voor het eerst op de Mapa Mundi, de vermaarde wereldkaart van Juan de la Cosa. De Arubanen beschouwen dit jaar daarom als het beginjaar van hun geschiedenis. De Spanjaarden noemden de Benedenwindse Eilanden aanvankelijk Islas de los Gigantes (Reuzeneilanden), omdat de inwoners met kop en schouders boven hen uitstaken.

Uit de spaarzame documenten die uit deze periode beschikbaar zijn blijkt dat de ontdekkingsreizigers tevergeefs zochten naar delfstoffen en specerijen, wat de eilanden al snel de naam Islas Inútiles (Nutteloze Eilanden) bezorgde. De Spanjaarden concludeerden bovendien dat de bodem en het klimaat van Aruba ongeschikt waren voor grootschalige landbouw en verloren hun belangstelling. Zij keerden later wel terug met een veestapel: runderen, geiten, schapen en paarden.

Curaçao werd het administratieve centrum van de Spaanse eilanden, terwijl Aruba werd ingericht als veefokkerij. De bossen werden gekapt en hout en huiden waren enige tijd belangrijke exportproducten.