Bonaire in de uitverkoop

Na de afschaffing van de slavernij in 1863 waren de plantages en de zoutindustrie niet langer rendabel. De gouvernementsgronden werden verkocht aan particulieren – Nederland deed Bonaire letterlijk in de uitverkoop. Hiertoe publiceerde het gouvernement een ‘folder’ waarin de kavels werden aangeprezen, in het Nederlands en het Frans.

Twee rijke families uit Curaçao (Neuman en Jesurun) kregen in één klap het eiland, inclusief Klein Bonaire in handen. (Klein Bonaire kostte A. Jesurun slechts 8000 gulden). De nieuwe eigenaren verkochten weer kavels aan anderen. De inkomsten van deze shons, die tevens de posities van handelaren en reders bezetten, waren verzekerd maar voor de overige eilandbewoners braken barre tijden aan.

Veel van de kleine boeren waren gedwongen in ‘schrale loondienst’ te treden bij de grootgrondbezitters. Anderen zagen zich genoodzaakt te verhuizen naar Curaçao of Aruba. De stukken grond die na de openbare verkoop overbleven waren in kleine kunuku’s verdeeld over de achterblijvers maar leverden te weinig op om van te leven.

De vrijgelaten slaven en hun nazaten bleven ondanks hun nieuwe positie vrijwel rechteloos en hadden het ook wel gezien op Bonaire. Velen van hen migreerden naar Venezuela, Cuba of naar Suriname, hopende op een betere toekomst.

Aan het eind van de 19e eeuw was de werkloosheid groot want de plantage-economie was tot een minimum gereduceerd. Er was tevens een groot gebrek aan goed voedsel en schoon drinkwater. Afgezien van een kleine groep bevoorrechten was het armoe troef op het eiland. Alleen de scheepsbouw en strohoedennijverheid boden nog wat mogelijkheden. De eilandeconomie bleef in een ‘dip’ tot de opkomst van de olie-industrie, begin 20e eeuw.