De Tweede Wereldoorlog

Ging de Eerste Wereldoorlog nog geruisloos aan de Antillen voorbij, tijdens de Tweede Wereldoorlog waren duizenden Amerikaanse en Britse soldaten op de eilanden gestationeerd. De olieraffinaderijen waren immers van groot belang en draaiden op volle toeren om voldoende brandstof te leveren voor de vliegtuigen en schepen van de geallieerden.

In 1941 kwam 85% van de vliegtuigbrandstof uit Aruba en Curaçao. De vraag was zo groot dat de lokale benzine op de bon ging. Olietankers, waarop veel Bonaireaanse mannen werkten, waren het doelwit van Duitse onderzeeërs. Tijdens de oorlog kwamen totaal 63 Antillianen om het leven onder wie 34 Bonaireanen.

Op Bonaire werd het enige Nederlandse overzeese interneringskamp ingericht voor Duitse krijgsgevangenen, NSB’ers en ander nazi-sympathiesanten. Pijnlijk was dat aanvankelijk ook joden met een Duits of Oostenrijks paspoort in dit kamp terechtkwamen. Na de oorlog werden de houten barakken van het kamp verbouwd tot het eerste hotel van Bonaire, hotel Zeebad, in die tijd beschouwd als het beste hotel van de Nederlandse Antillen.

Op deze plek staat tegenwoordig hotel Divi Flamingo. Bonaire trok ook internationaal de aandacht toen prinses Juliana het eiland in 1944 bezocht in gezelschap van Eleonore Roosevelt, echtgenote van de Amerikaanse president.

De solidariteit met Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog was groot. De Antilliaanse regering spendeerde zonder morren zeven miljoen gulden aan de verdediging van de eilanden, terwijl de bevolking fondsen in het leven riep en fancy fairs organiseerde om geld en goederen in te zamelen voor noodlijdende Nederlanders.

Curaçaose dames breiden sokken en truien voor Hollanders in de kou, medewerkers van Shell op Curaçao stuurden spontaan geld naar koningin Wilhelmina in Londen. Ze droegen bovendien een percentage van hun salaris af voor de oprichting van een Spitfire-squadron, een project van prins Bernhard. En dat terwijl hun eigen voedselvoorziening gehinderd werd door Duitse schepen.