Hollandse slavenhandelaren

Hollandse zeevaarders van de West-Indische Compagnie (WIC) zochten een nieuw steunpunt in ‘De West’ voor de zoutvaart op Zuid-Amerika waar Hollanders delen van Nieuw Holland (Brazilië) en de wilde kust (Suriname) hadden gekoloniseerd. In 1633 hadden ze St.-Maarten aan de Spanjaarden moeten opgeven maar het kostte Johannes van Walbeeck en zijn mannen niet veel moeite om beslag te leggen op Curaçao waar slechts een paar Spaanse toezichthouders met hun indianenarbeiders leefden. Bonaire en Aruba volgden niet veel later. Deze eilanden waren destijds volledig ondergeschikt aan Curaçao.

Voor de Hollanders vormden de Antillen een prima steunpunt. De natuurlijke haven van Curaçao lag heel strategisch en diende als uitvalshaven voor aanvallen tegen de Spanjaarden tijdens het laatste decennium van de Tachtigjarige Oorlog. Peter Stuyvesant, de man die zijn been verloor in een slag om St.-Maarten, was gouverneur van Curaçao en later van alle Hollandse gebieden in Midden- en Zuid-Amerika voordat hij naar New York (toen nog Nieuw Amsterdam) vertrok.

Van Bonaire maakte de WIC een plantage-eiland ten behoeve van het zich snel ontwikkelende Curaçao. De winning en export van zout en de bast van de braziel- of verfhoutboom speelden daarnaast een steeds grotere rol. Bij het afschrapen van de bast van deze boom komt een rode verfstof vrij, te gebruiken voor het kleuren van textiel. Dit ‘raspen’ gebeurde destijds onder andere in de Amsterdamse gevangenis, om die reden ook wel ‘rasphuis’ genoemd. Je ziet verfhoutbomen op Bonaire nog her en der staan langs de weg tussen Kralendijk en Rincon.

Curaçao vormde inmiddels het centrum van een bloeiend Nederlands handelsimperium op het westelijk halfrond. Dat gold ook voor de slavenhandel. Tijdens deze weinig verheffende periode werden ook enkele honderden Afrikaanse slaven van Curaçao naar Bonaire verscheept waar dringend behoefte was aan flinke arbeidskrachten. De slaven werden tewerkgesteld op plantages en in de zoutpannen waar ze onder erbarmelijke omstandigheden moesten werken in de tropenzon. Uit deze tijd stammen ook de bekende slavenhutjes van Bonaire.

Nadat Nederland in 1815 een koninkrijk werd, kwam het koloniaal beleid direct onder koning Willem I. De compagnieslaven werden nu Katibu di Rei (slaven van de koning) en kregen daarmee iets meer bewegingsvrijheid. Ze mochten zelf gewassen verbouwen en verkopen. Sommigen wisten zich zelfs vrij te kopen.