Olie, het zwarte goud

Olievondsten in Venezuela gaven aan het begin van de twintigste eeuw nieuwe impulsen aan de Antilliaanse economie. Vanwege de ligging van en de politieke situatie in Venezuela zochten de oliemaatschappijen elders een plek voor een overslaghaven en raffinaderijen.

De keuze van Lago (later Esso/Exxon) voor Aruba en Shell voor Curaçao lag voor de hand: de Nederlandse Antillen golden als een stabiel en veilig investeringsgebied en de eilanden lagen gunstig op de wereldhandelsroutes.

De nieuwe fabrieken brachten veel werkgelegenheid en economische voorspoed met zich mee. Hiervan profiteerden ook de inwoners van Bonaire, waar weliswaar geen raffinaderij kwam maar wel veel Bonaireaanse mannen huis en haard verlieten om elders in de olie-industrie te werken. Van het geld dat ze naar huis stuurden konden veel gezinnen voor het eerst een stenen huis laten bouwen.

Van de afgedragen belastingen werden de wegen op Bonaire geasfalteerd, de haven gemoderniseerd en er kwamen elektriciteits- en telefoonleidingen. Ook de kwaliteit van het onderwijs en de medische zorg verbeterden. In 1936 werd het eerste vliegveld aangelegd.