Slavernij

Tussen 1637 en 1821 transporteerden Hollandse schepen een half miljoen slaven van Afrika naar de nieuwe wereld, circa 5 procent van de hele trans-Atlantische slavenhandel. Aan de West-Afrikaanse kust, van Senegal tot Angola, werd in die tijd intensief gehandeld in mensen.

Afrikaanse vorsten verkregen de slaven door stammenoorlogen en rooftochten op vijandig grondgebied. Een deel van de gevangenen werd verkocht aan Europese handelaren waarna ze soms nog maanden moesten wachten op hun verdere vervoer, geketend en opeengepakt in de benauwde kelders van Europese forten.

Tijdens de minstens zo benauwde overtocht in scheepsruimen naar het Westen (dit duurde twee tot drie maanden) was het niet ongewoon dat twintig procent van de ‘vracht’ overleed aan honger, uitdroging, besmettelijke ziektes of pure uitputting.

De Hollanders dreven tijdens de hoogtijdagen van de slaventijd een lucratieve driehoekshandel. Schepen met onder andere textiel en wapens gingen van Nederland naar Afrika om daar de ruimen te vullen met slaven voor Brazilië, Curaçao, Suriname en de Spaanse koloniën. Schepen die uit Zuid-Amerika terugkeerden naar Nederland namen ladingen zout en plantageproducten mee uit de koloniën.

Op Curaçao aangekomen werden de slaven gebrandmerkt, verkocht en vervolgens naar andere eilanden vervoerd. Juridisch werden de slaven beschouwd als ‘zaken’, niet als personen. Hun baas kon met ze doen wat hij wilde. De enigen die zich nog een beetje om de slaven bekommerden waren de rooms-katholieke priesters, wat wellicht het succes van de missie op de Antillen verklaart. De priesters zegenden huwelijken in en zorgden voor wat onderwijs.

Tweemaal kwamen Antilliaanse slaven in opstand (op Curaçao): in 1751 en in 1795. De laatste opstand kostte veel slaven het leven, onder wie bekende namen als Tula en Karpata, maar bracht wel enige verbetering in de levensomstandigheden van de slaven.

In de 18e eeuw kwam er in Europa en Amerika steeds meer verzet tegen de onmenselijke behandeling van de Afrikanen met als gevolg dat de handel gestaag afnam. Aan de invoer van slaven op de Antillen kwam in 1821 een einde, maar het duurde nog tot 1863 voordat de slavernij definitief werd afgeschaft.

Op Bonaire kregen toen 607 gouvernementsslaven en 151 particuliere slaven de vrijheid. De eigenaren van de particuliere slaven ontvingen een vergoeding van 200 gulden per slaaf; de ex-slaven zelf stonden met lege handen.

Op Curaçao is in Willemstad bij Kurá Hulanda de leefsituatie van slaven nagebouwd en op het westelijk deel van het eiland in Landhuis Kenepa (waar in 1795 de tweede slavenopstand uitbrak) een museum gewijd aan de slavernij in oprichting.