Van verbanningsoord naar duikparadijsje

In de jaren vijftig en zestig, een periode waarin de raffinaderijen op Aruba en Curaçao veel minder werk boden dan voorheen, klom Bonaire met financiële steun van Nederland langzaam maar zeker uit een economisch dal.

De aanleg van een nieuw vliegveld en een pier voor cruiseschepen maakte toerisme mogelijk en de ingedutte zoutindustrie werd nieuw leven ingeblazen. Belangrijk voor de werkgelegenheid was ook de aanleg van de olieopslag- en overslaghaven door bopec (Bonaire Petroleum Corporation) in 1975.

De haven heeft diep vaarwater waar mammoettankers gemakkelijk olie kunnen laden en verder vervoeren over de wereldzeeën. De meeste aardolie en aardolieproducten zijn bestemd voor de Verenigde Staten. Veel vrouwen vonden werk in de textielindustrie (uniformen en bedrijfskleding) en verder is er wat scheepsbouw, een rijstmolen en radiocommunicatie-industrie.

Een relatief grote werkgever op Bonaire is de overheid. Voor zo’n klein eiland heeft Bonaire al met al dus een aardig gediversifieerde economie. Het is echter vooral aan de opkomst van het (duik)toerisme te danken dat de economie een flinke impuls kreeg.

In 2009 bezochten 58.000 toeristen het eiland,. De meesten kwamen uit de Verenigde Staten (40%) en Nederland (40%), gevolgd door Venezuela, Duitsland en andere landen. Ongeveer de helft van de bezoekers komt om te duiken en 30% komt voor de tweede, derde of vierde keer.