Verboden eiland

Net als de Spanjaarden hadden ook de Hollanders aanvankelijk weinig belangstelling voor Bonaire. De bevolking, bestaande uit een Hollandse commandeur met een paar ‘ruiters’ (soldaten) en hun gezinnen, slaven, verbannen criminelen en een handjevol Spaans-Venezolaanse geestelijken, leidden er een simpel en tamelijk eenzaam bestaan.

Zo hard als het leven voor de slaven was, zo dodelijk saai moet het geweest zijn voor de opzichters. Dat de Nederlandse Staat een vestigingsverbod uitvaardigde voor blanken op Bonaire (een verbod dat tot halverwege de negentiende eeuw gold) lijkt dan ook tamelijk overbodig. Voor de zekerheid werd wel een fortje gebouwd om het eiland beter te kunnen verdedigen tegen vreemde mogendheden en tegen de piraten die de Caribische Zee onveilig maakten.

Op verschillende punten aan de kust werden wachtposten ingericht. Rond het fort, dat pas veel later de naam Fort Oranje kreeg, ontstond geleidelijk de nederzetting Playa, dat later uitgroeide tot de hoofdstad Kralendijk.

Met de opheffing van de West-Indische Compagnie in 1791 verviel alle grond op Bonaire aan de Nederlandse Staat. De Antilliaanse eilanden, nu niet meer bestuurd door een commandeur maar door een door de Kroon benoemde gezaghebber, werden samengevoegd tot één kolonie: ‘Curaçao en onderhoorigheden’, een naam die tot 1948 stand hield.

Begin negentiende eeuw hadden de Hollanders moeite de Antillen vast te houden. Tijdens de napoleontische oorlogen voerden Frankrijk en Engeland niet alleen in Europa maar ook in de koloniale gebieden strijd met elkaar.

Twee keer wisten Engelse soldaten Curaçao te bezetten waarmee zij automatisch het beheer over Bonaire en Aruba verkregen, maar bij het Verdrag van Parijs (1816) kreeg Nederland de eilanden terug.