Zelfbestuur

De oorlogsjaren brachten de Antillen behalve economische voorspoed ook een versnelde politieke bewustwording. Direct na de oorlog kwam daardoor het vraagstuk inzake zelfbestuur aan de orde. Na acht jaar onderhandelen gaf koningin Juliana de eilanden in 1954 het recht op eigen bestuur, vastgelegd in het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden.

Hierin verklaarden de Nederlandse Antillen, Suriname en Nederland op basis van vrijwilligheid en gelijkheid verder te willen gaan. De Antillen werden een autonoom gebied binnen het Koninkrijk der Nederlanden met voor het eerst een democratisch gekozen regering, gevestigd op Curaçao. Ook het rijke Aruba bleef vooralsnog, weliswaar met tegenzin, deel uitmaken van de Antillen.

De Nederlandse Antillen en Aruba hadden sindsdien een grote mate van zelfstandigheid. Alleen defensie en buitenlandse zaken ressorteerden onder Nederlands bestuur. Een contingent mariniers is in dit kader permanent op de eilanden gestationeerd. De Antilliaanse regering benoemt een minister die de eilanden vertegenwoordigt in de Koninkrijks-ministerraad in Den Haag. Deze bestaat uit de Nederlandse ministerraad aangevuld met een Arubaanse en Nederlands-Antilliaanse gevolmachtigd minister.

Juridische bevoegdheden liggen bij de rechtbanken en gerechtshoven op de Antillen en Aruba en in laatste instantie bij de Hoge Raad in Nederland. Op de Antillen werden tot voor kort elke vier jaar verkiezingen gehouden voor het eenkamerparlement (de Staten). Bonaire koos drie van de 22 leden.

De eilanden afzonderlijk waren in bestuurlijke zin weer tamelijk onafhankelijk van de centrale regering. Alle eilanden hadden een eigen bestuur met een gezaghebber (vergelijkbaar met een burgermeester), gedeputeerden die het bestuurscollege vormden en een eilandsraad (volksvertegenwoordiging). De leden van de eilandsraad werden gekozen tijdens algemene verkiezingen voor een periode van vier jaar.

De eilandsraad benoemde het bestuurscollege dat verantwoordelijk is voor het dagelijks bestuur. Bonaire heeft een bestuurscollege met drie leden en een eilandsraad met negen leden. De vergaderingen van het bestuurscollege werden voorgezeten door de gezaghebber, een door de Kroon, op voordracht van de centrale regering benoemde functionaris. Ook de vergaderingen van de eilandsraad werden door de gezaghebber geleid. De gezaghebber was tevens hoofd van de politie.

In 2010 ging deze structuur geheel op de schop: de Nederlandse Antillen werden opgeheven en Bonaire werd een zelfstandige gemeente van Nederland.