Communistische tijd

In tegenstelling tot andere communistische landen had Joegoslavië geen pure planeconomie. Fabrieken waren nationaal bezit en arbeiders deelden in de winst; kleine commerciële bedrijfjes met maximaal vier werknemers waren echter toegestaan. Boeren mochten tien hectare land bezitten. Het overige land kwam in handen van lokale coöperaties, die land konden kopen, verkopen en verpachten.

Macedonië en Bosnië waren de armste deelstaten van Joegoslavië. Tito probeerde industrie te vestigen in dit onderontwikkelde gebied waar het merendeel van de bevolking van de kleinschalige landbouw leefde. Hij zag de bodemschatten als ijzererts, lood, zink, nikkel, kobalt, bauxiet en mangaan, die al op kleine schaal gewonnen werden, als grote kans. Vooral in de vallei van de Bosna, kwamen grote (staal)fabrieken. Zenica, Sarajevo en Tuzla werden industriële centra. In het kielzog van de mijnbouw en metaalindustrie, kwam ook de wapenindustrie op; Joegoslavië kreeg het in grootte vierde leger van Europa. Bosnië-Herzegovina werd in rap tempo gemoderniseerd.

De welvaart groeide en de infrastructuur verbeterde snel. De Olympische Spelen gaven het volk zelfvertrouwen. Het Joegoslavische project leek een succes. Veel van het bereikte bleek echter een zeepbel, die zo weer uiteen kon spatten. In de jaren tachtig leende Joegoslavië enorme bedragen van de westerse landen. De regering investeerde dit geld nauwelijks in modernisering. De mijnbouw en industrie werkten met verouderd materieel, dat met te veel werknemers draaiende werd gehouden. Dit had desastreuze gevolgen voor de economische groei en ook voor kwaliteit van lucht, water en bodem.

Intussen leefden de Joegoslaven op te grote voet. Slovenen en Kroaten klaagden dat zij voor de kosten van het in stand houden van Joegoslavië moesten opdraaien. Nationalisten maakten van deze sentimenten gebruik, wat in de jaren negentig uiteindelijk tot oorlog leidde.

  • Landbouw

    In Bosnië worden op grote schaal pruimen geteeld
    Veel boeren lijden een marginaal bestaan, met gemengde bedrijfjes op een uiterst klein lapje grond. De meeste boeren hebben minder dan drie hectare grond. (In...