De Afrikaanse godsdienst

De negerslaven in Brazilie moesten in de koloniale tijd katholiek gedoopt worden en zich onderwerpen aan de katholieke godsdienstleer. Maar dat heeft de Afrikanen er nooit van weerhouden hun eigen vieringen te houden, de voorvaderen te eren, de orixa’s (de heiligen) om voorspraak te vragen en in de reïncarnatie te geloven. Toen dit van hogerhand verboden werd, werden de orixa’s ‘omgedoopt’ tot katholieke heiligen. Oxalá werd God en de oude zeemeer-min Iemanjé werd verrijkt met naam en eigenschappen van Nossa Senhora Maria. De jachtgod Oxossi ging verder als Sint-Joris of Sint-Sebastiaan en de oude god van bliksem en donder Xangô werd Sint-Jeroen. De katholieke tweeling Cosmas en Damianus kregen de omvangrijke taak voor de vrucht-baarheid te zorgen in Brazilië, een taak die in Afrika de tweelinggod Ibeji voor zijn rekening had genomen.

Dat de godsdienstvieringen op die manier nogal afweken van de katholieke liturgie werd door de Portugezen tegenover de inspectie uit Rome geweten aan taal- en ontwikkelingsproblemen van de negerslaven. De Portugezen zelf konden deze vieringen waarin door dansen, opwindend tromgeroffel en opzwepende muziek een toestand van extase wordt bereikt wel waarderen. In deze geestestoestand komt men via mediums – bijna altijd vrouwelijke leden van de gemeenschap met veel ervaring, ‘moeders der heiligheid’ – in contact met de voorouders van wie men gunsten en adviezen verwacht. Godsdienstkenners noemen deze vorm van godsdienst espiritismo of spiritisme.

De vieringen dragen per Braziliaanse regio een andere naam zoals umbanda, quimbanda, macumba (Rio de Janeiro), xangô (Recife) of candomblé (Bahia). De meest gebruikte namen zijn macumba en candomblé waarbij macumba afkomstig is van de Bantoeslaven uit Angola en candomblé van de negers die als slaven geronseld werden bij de Yorubastam in Afrikaans Guinea.

Over de omvang en de betekenis van dit spiritisme kunnen geen misverstanden bestaan want die is groot en groeiende. Er wordt wel eens beweerd dat er in Salvador voor elke dag van het jaar één katholieke kerk is, maar zeker is wel dat er voor elke dag meer dan twee terreiros de candomblé zijn. Het percentage Brazilianen dat lid is van deze tempelgemeenschappen wordt geschat op meer dan 20, maar het aantal deelnemers is in elk geval veel groter en daaronder bevinden zich Brazilianen uit alle sociale klassen en groeperingen ondanks het feit dat de kerkleiders hun gelovigen gewaarschuwd hebben voor de gevaren van dit spiritisme. Maar kennelijk vinden velen in deze vieringen en gemeenschappen meer troost en hulp dan in de machtige katholieke kerk.

Bij de beschrijving van Salvador vindt u hoe bij het feest van Bonfim een grote feestelijke processie met daarin christelijke en candomblé kenmerken wordt gehouden en waarbij de katholieke priesters en de ‘moeders der heiligheid’ hand in hand lopen.

Capoeira

De muziek die bij de candomblé-vieringen gebruikt wordt en bij afoxé-dansers nog indringender klinkt is ook in kleinere bezetting bij capoeira-gevechten te horen. Capoeira is nu een gestileerde vecht-dans-sport, waarbij de vechters met gracieuze behendigheid er voor moeten zorgen elkaar niet te raken. Wie een foutje maakt en de ander toch toucheert is uitgeschakeld.

Capoeira was eens een Afrikaanse vechtsport en de daarbij ten gehore gebrachte muziek diende om de goden uit te nodigen de vechters te helpen en degene die won hun vertrouwen te schenken. De negers namen deze vechtsport mee naar Brazilië en beoefenden die fanatiek, op leven en dood. Dat laatste werd verboden, maar de sport bleef bestaan, alleen nu met de regel dat men de tegenstander niet mocht aanraken. Zo is de vechtsport geculti-veerd tot wat het nu is – en het vindt zijn weg weer naar Afrika.

Capoeira-dansers zijn te zien in de kunstacademies in Rio de Janeiro en Salvador, waar soms openbare voorstellingen worden gegeven. Ook in de grote folkloristische shows treden professionele capoeira-dansers soms op. Maar het boei-endste is een spontaan gevecht op straat, op het strand of in het park. Een groep dansers vecht tot er een winnaar is. De niet-spelenden zingen en klappen. Het publiek blijft niet achter en er ontstaat een authentieke scène met hoogstaande sport en doorleefde cultuur.

Bumba-meu-boi

In de bumba-meu-boi traditie zijn elementen uit de Indiaanse, de christelijke en de Afrikaanse cultuur terug te vinden en zoals dat in Brazilië hoort maakte het daarna een eigen ontwikkeling door in de dorpen van Maranhão, Pará, Amazonas, maar ook in Rio Grande do Norte en Pernambuco.

Op 6 januari van elk jaar worden toneelstukjes opgevoerd met in de hoofdrol een stier. De baas van de stier heeft het dier aan een vaqueiro toever-trouwd, die echter om de een of andere reden het dier gedood heeft. Allerlei figuren bemoeien zich met deze pijnlijke situatie en in de daarbij gevoer-de satirische discussies worden allerlei notabelen en machten op de hak genomen. Niemand slaagt er echter in de stier weer tot leven te wekken. De indiaanse tovenaar niet, maar de priester evenmin. Er komen spook- en fantasiedieren opdraven totdat een kind uit het publiek met een eenvoudig woord en een streling de stier weer overeind krijgt.

Hoera, er is weer leven en dat is reden voor een groot dorpsfeest. De Indianen stonden de caipora (half mens, half dier) als een van de hoofdrolspelers af, terwijl de tovenaar eveneens uit de indiaanse cultuur afkomstig is. De heilige stier komt uit Afrika en bumba is Afrikaans voor slag of klap. Het hele verhaal is gegoten in de vorm van een reisados, een soort kerst toneelstukjes zoals die in Portugal en Brazilië bekend zijn.