De eerste Hollandse vestigingen

Hollandse motieven om Brazilië te verkennen waren van financiële en politieke aard. De Tachtigjarige Oorlog tegen Spanje werd voor een groot deel op zee uitgevochten. Spanje en Portugal verkregen kapitaal om oorlog te voeren uit de opbrengsten van hout, suiker, zilver en vele andere kostbaarheden die gevonden werden in het zuidelijk deel van Amerika, maar ook Holland had geld nodig voor de oorlog tegen de Spanjaarden.

Bekende Hollandse zeevarende ondernemers die in die periode reeds Brazilië bezochten waren Laurens Bicker, Cornelis van Heemskerck, Hendrik Ottsen, Daniël van der Meulen, Johan van der Veken en Melchior van den Kerkhove.

De handel op Brazilië betrof hout, suiker, katoen, huiden, zilver en sieraden. Ook aan de transporten van slaven hebben de mannen van de West-Indische Compagnie goed verdiend.

Amazone

In 1607 werd de Tachtigjarige Oorlog onderbroken door het zgn. Twaalfjarig Bestand wat onder meer betekende dat brute plundering even niet meer was toegestaan. Maar om toch aan geld te komen moesten handelsverbindingen worden opgezet en het was Pieter Adriaenszoon die in 1616 met deze intentie de Amazonerivier opvoer en een handelspost oprichtte bij de monding van de Rio Corupá, 200 km van Belém, waar ook een suikermolen in bedrijf werd genomen.

Franse jaloezie verried de onderneming, zodat in 1622 de Hollanders weer uit het Amazonegebied verdreven werden door de gouverneur van Pará.

Salvador

Na deze eerste Hollandse vestiging in Brazilië (1616-1622, Belém) volgde enkele jaren later een tweede, die nog korter was maar met meer geweld gepaard ging. Zeker drie keer is Piet Hein de Allerheiligenbaai bij Salvador binnengevaren om daar schepen en opslagplaatsen te plunderen. In 1624 maakte hij deel uit van een vloot van 29 schepen waarvan de opvarenden Salvador bezetten. Ruim een jaar hield deze bezetting stand. Vanwege een te verwachten Spaanse aanval werd om versterking gevraagd bij de Heeren Negentien van de West-Indische Compagnie, die inderdaad op 26 mei 1625 arriveerde, maar inmiddels had de Spaanse vloot reeds op 30 april orde op zaken gesteld.

Bij deze reis diende Dierick Ruiters als gids en hij liet een boeiend reisverslag na. In Salvador zijn nog steeds enkele herinneringen aan deze bezetting te zien. Piet Hein, die tijdens de Spaanse herovering al niet meer in Salvador was, keerde nog enkele malen terug in de Allerheiligenbaai om daar allerlei buit te veroveren. Maar zijn grootste slag sloeg hij niet hier, maar in de baai van Matanga bij het tegenwoordige Cuba. Want daar veroverde hij in 1628 de Zilvervloot, te weten 90.000 kg zilver met een toenmalige marktwaarde van 8 miljoen gulden.

Pernambuco

Na deze avonturen besloot de Westindische Compagnie weer een poging te wagen een bruggenhoofd in Brazilië te vestigen. Men had tot dan toe bewezen deskundig te zijn in zeeroverij en plundering waarbij men het in ontwikkeling brengen van cultures en het tijdrovende zoeken naar goud en zilver aan anderen had overgelaten, maar langzamerhand was er tegen die voortdurende oorlogstoestand verzet gerezen. Men wilde zich daarom nu gaan instellen op een geregelde aanvoer en verkoop van suiker via een eigen haven in Brazilië.

Omdat Salvador een versterkte vesting was viel de keus op het Recife van Pernambuco. Uit de trage reactie na de verovering van Salvador was lering getrokken. Op 27 juni 1629 vertrok een vloot van 67 schepen met 3500 soldaten en 3780 matrozen aan boord onder leiding van de troepencommandant jhr.Theodoor van Waerdenburgh en de admiraal Hendrick Corneliszoon Lonck. Pas in februari 1630 werd voet aan wal gezet bij Pau Amarelo, tien km ten noorden van Olinda, waar een verlaten stad aangetroffen werd.

 Daarna werden de forten São Jorge en São Francisco en de uitgebrande pakhuizen in de haven van Recife in bezit genomen. Maar het Spaans/Portugese verzet was niet gebroken, want de Spaanse opperbevelhebber Albuquerque had zich met zijn mannen verschanst in een moeras en bleef het van daaruit de Hollanders lastig maken met steun van de Tupi- en Tapoeia-Indianen die met hun giftige pijlen menige Hollander verrasten.

In 1631 staken de Hollanders Olinda in brand waarna ze zich terugtrokken in het beter verdedigbare Recife. Al deze details zijn boeiend beschreven door Joannes de Laet die een -Jaerlijcks Verhael - maakte. De West-Indische Compagnie stuurde nu wel tijdig versterkingen, wat ook nodig was want de Spaanse vloot werd eveneens op oorlogssterkte gebracht. In de slag die nu volgde leden beide partijen zware verliezen, maar de Hollanders hielden stand.

Men kon nu eindelijk beginnen aan het veroveren van een deel van het achterland en vrede sluiten met de Tapoeia-Indianen. De stad Recife ontwikkelde zich en de gehele kustlijn tot Rio Grande kwam onder controle. Het leger, nu onder leiding van Sigismund van Schoppe en Crestofle d’ Artischau Arciszewski, ruimde de nog overblijvende verzetshaarden op. Maar het kostte veel energie en vele mensenlevens en daarom schreef deze Arciszewski, van Poolse afkomst en een intelligent krijgskundige, op 4 november 1635 een brief aan de Heeren Negentien waarin hij vroeg om 6000 soldaten om dit deel van Brazilië van rebellen te zuiveren.

Hij klaagde over de Politieke Raad die geen oog had voor de moraal onder de Hollanders en schreef dat er een degelijke, veelzijdige leider moest komen, een ‘generael opsiender op ons allegaer’. Dit voorstel werd aangenomen, zij het op andere gronden dan bedoeld was. Want de onderneming in Brazilië had de West-Indische Compagnie tot nu toe alleen maar verliezen opgeleverd, terwijl in Oost-Indië een gouverneur-generaal voor orde en een constante toevoer van handelswaar gezorgd had waardoor de Verenigde Oost-Indische Compagnie jaarlijks zeer hoge dividenden maakte. En dit voorbeeld wilde de West-Indische Compagnie gaarne volgen.