Johan Maurits van Nassau

Johan Maurits, de achterneef van Willem van Oranje werd voor deze positie aangezocht en 9 maanden later na intensieve contractbesprekingen ook inderdaad benoemd. Hij kreeg de titel ‘Goeverneur-, Capiteyn- en Admiraal-Generaal’ en werd tevens voorzitter van de ‘Hooge en Secrete Raet’.

Naast een maandloon van fl. 680,67 werd hem 2% buitgeld als provisieregeling toegezegd! (Nadat hij aan zijn opdracht voldaan had bleek dit spaarpotje 2 miljoen gulden te bevatten.) De verhuiskosten werden afgemaakt op fl.?2722,68 en van de reis- en verblijfkosten kon hij een vorstelijk leven leiden.

Het maandloon kon zo gereserveerd worden voor de afbouw van zijn woning ‘Suykerhuys’ aan de Vijverberg in Den Haag, waarvan de kosten door architect Jacob van Campen werden begroot op fl.?226.890,11.

Toen Johan Maurits eind oktober vertrok met een contract van 5 jaar op zak gingen 350 manschappen met hem mee. Dat was aanzienlijk minder dan de overeengekomen 2700 en dat was al een compromis geweest want Johan Maurits had er om 7000 gevraagd toen hij zijn taakomschrijving had gezien: ‘Handhaven van orde en gezag, bescherming van de godsdienst, bestrijding van misbruiken, het bouwen van vestigingen en de regeling van de rechten en plichten van de bevolking.’

In de staf die Johan Maurits aantrok bevonden zich professor Frans Plante, predikant en dichter die de belangrijkste adviseur van Johan Maurits zou worden, en de onderzoekers Willem Pies en Georg Marcgrav von Liebstadt die een wetenschappelijke taak kregen, namelijk onderzoeken van en publiceren over land en volk.

In de staf waren ook twee schilders van naam opgenomen, Frans Post en Albert van Eeckhout, schilders van landschappen en mens- en dierfiguren. Johan Maurits van Nassau ging vaardig aan de slag en omdat hij niet ongevoelig was voor publiciteit is er veel over zijn handelen bekend.

Binnen een maand na aankomst (26 januari 1637) had het leger de eerste actie met succes uitgevoerd. Porto Calvo werd onder controle gebracht en Johan Maurits vierde deze overwinning met een smaakvol diner, waarvoor ook de overwonnen Portugese officieren uitgenodigd waren. Het werd de eigen soldaten verboden te plunderen. Ook in de eerste contacten met de Indianen toonde Johan Maurits zich humaan en diplomatiek.

Hij sloot vriendschap met de Tapoeia-Indianen en hun koning Nhandui (door de soldaten uitgesproken als ‘Jan de Wij’). De gemeenschappelijke vijanden werden de Portugezen en de Tupinambo-Indianen. Nieuw-Holland, zoals Brazilië nu genoemd werd, was politiek en militair gezien, voorlopig veilig. De Portugezen hadden een gevoelig gezichtsverlies geleden. Het orde op zaken stellen vergde een langere aanpak.

De ‘Hooge en Secrete Raet’ moest corruptie en moordlust bestrijden en de koloniale bevolking weer ‘mores leren’. Corrupte ambtenaren werden ontslagen, de grootste boeven opgehangen en de prostitutie werd beperkt. Vrouwen met plannen naar Brazilië te verhuizen dienden een ‘genoechsaem’ bewijs te overleggen gehuwd of verloofd te zijn met ‘manspersonen, reeds daar woonachtig’.

Ook het zendingswerk onder negers, Indianen en katholieken werd onderwerp van zorg en beleid en Johan Maurits drukte ook op dit beleid duidelijk zijn stempel. De joden bijvoorbeeld dienden zich aan de – gereformeerde – zondagsheiliging te houden, maar aan de onverdraagzame door de predikanten gekweekte sfeer maakte hij een einde door de joden tevens in hun rechten te herstellen. De negerslaven profiteerden eveneens van de regels voor deze zondagsheiliging want ook voor hen werd de zondag een verplichte rustdag.

Ook de katholieken herkregen hun rechten en hoefden niet meer hun huwelijk te laten bevestigen door een gereformeerde predikant. De bouw van synagogen en katholieke kerken werd weer mogelijk. Er kwam een wetgevende vergadering waarin Portugezen en Hollanders tezamen het plaatselijk bestuur controleerden. Johan Maurits regeerde als een democratisch, verlichte koning.

Maar economisch gezien ging het minder goed. Hoewel de suiker nog steeds hoge marktprijzen opbracht was de productie gering. Allereerst waren de suikermolens stil komen te staan nadat de Portugese eigenaars gevlucht waren, maar dit probleem werd opgelost door de molens te verkopen aan joodse handelaren. Een tweede probleem was evenwel van langere duur, namelijk het gebrek aan arbeiders op de suikerplantages.

De daarvoor beproefde oplossing was de invoer van negerslaven uit Afrika. Een oplossing waar zelfs de zo humane Johan Maurits geen moeite mee had, want ook voor hem gold dat zwarten tweederangs mensen waren, geschapen om de blanken te dienen. Het enige wat niet was toegestaan was de slaven door te verkopen aan de (katholieke) Spanjaarden of Portugezen, want dan zou het gedaan zijn met het zielenheil van de negers. Voor de invoer van de slaven en het tot ontwikkeling brengen van suikerplantages stelde Johan Maurits omvangrijke kredieten beschikbaar.

Vrijhandel of monopolie

Johan Maurits, diens staf en leger werden bekostigd door de West-Indische Compagnie, die dan ook het monopolie opeiste van alle handel met Brazilië. De planters en molenaars konden echter in Amsterdam op de vrije markt hogere prijzen bedingen en Johan Maurits en zijn adviseurs ondersteunden dit streven. Ten slotte werd overeengekomen dat bepaalde goederen op de vrije markt gekocht en verkocht mochten worden, maar de West-Indische Compagnie hief daarover dan wel import- en exportbelastingen en behield bovendien het monopolie op de handel in negerslaven, munitie en hout.

Weer oorlog

Maar vrijhandel duldt geen vijand in de buurt en in Bahia Salvador, 700 km verderop, heersten de Portugezen. Daarom werd deze stad op 8 april 1638 aangevallen, maar de Portugezen verdedigden zich hardnekkig, daarbij gesteund door de katholieke burgerij en geestelijkheid die de strijd met de protestantse Hollanders zagen als een soort godsdienstoorlog. Door de lange duur van de strijd en de lange aanvoerroute liep het mis met de bevoorrading, verdween de strijdlust en ten slotte moest de terugtocht aanvaard worden met achterlating van 237 gesneuvelden. Met de opbrengst van de buitgemaakte slaven konden de kosten van de gehele operatie goedgemaakt worden, maar het prestigeverlies was blijvend.

Johan Maurits leed nog een ander verlies. Met Arciszewski, aan wiens advies hij zijn bijna koninklijke functie te danken had, kon hij steeds minder goed overweg. Had die destijds met zijn verzoek om een ‘generael opsiender op ons allegaer’ wellicht zichzelf op het oog gehad? Dat is een onbeantwoorde vraag, maar het staat wel vast dat hij als militair geen opperbevelhebber boven zich duldde en dus werd hij door de West-Indische Compagnie ontslagen. Dat neemt niet weg dat de veelzijdige Arciszewski een boeiende hoofdrol heeft gespeeld in het Braziliaanse verhaal en als beide mannen elkaar beter begrepen zouden hebben zou de Nederlandse geschiedenis in Brazilië anders zijn verlopen.

Mauritsstad

Nu de aanval op Bahia Salvador mislukt was besloot Johan Maurits de eigen vestiging uit te bouwen door naast het overvolle Recife een geheel nieuwe stad te bouwen, die zijn naam zou dragen: Mauritsstad. Daarvoor werd een moeras drooggelegd en in het midden van de nieuwe stad verrees een prachtig paleis, Vrijburg, met rondom een park waarvan een gedeelte nu nog bestaat. In dit park werden druivenranken gepoot, tientallen soorten inheemse en geïmporteerde vruchtbomen en er kwam zelfs een dierentuin met een wetenschappelijk verantwoorde selectie vogels en zoogdieren. Het paleis was een architectonisch pronkstuk met vierkante torens van waaruit men een prachtig uitzicht over de oceaan had. In een van deze torens bevond zich een sterrenwacht. In het paleis was ook een museum ondergebracht met onder meer 300 soorten opgezette apen en grote aantallen vlin-ders alsmede een grote bibliotheek.

Daar de stad gebouwd was op een eiland in de Biberibe-rivier moest er ook een brug komen. Een erkend architect ontwierp daarvoor een plan. Gezien de soms hoge waterstanden moest de brug op hoge pijlers komen te liggen en de kosten daarvan werden door hem begroot op fl. 108.907,25. Toen de goede man de hoge palen zag twijfelde hij aan zijn eigen berekeningen en hij gaf de opdracht terug. Daarmee kwam Johan Maurits in een moeilijke positie want hij kon zich geen projecten meer veroorloven die half of totaal mislukten. Hij sloeg daarom nu maar zelf aan het rekenen en tekenen, kwam uit op een begroting van slechts fl. 50.823,38 en bouwde voor dat bedrag de brug in twee maanden af. Op die manier was er nu nog geld beschikbaar voor een tweede brug, aan de andere kant van het eiland Antonio Vaz. Resultaat: een van de huidige bruggen in Recife is vernoemd naar Prins Maurits van Nassau.

Zoals reeds gezegd waren twee wetenschappelijke onderzoekers – Georg Marcgrav von Liebstadt en Willem Pies – toegevoegd aan de staf van Johan Maurits en zij kregen alle gelegenheid het werk te doen waarvoor ze waren meegegaan. Dat resulteerde onder andere in de publicaties ‘Historia Naturalis Brasíliae, over land, volk, planten en dieren in Brazilië’ en ‘De Medicina Brasiliense’ waarin geneeswijzen van dysenterie behandeld werden. Beide werken bleven 150 jaar ongeëvenaard en zijn nu nog van belang. Ook kunstenaars werden in staat gesteld hun talenten te ontwikkelen. Zo werd bijvoorbeeld de soldaat Zacharias Wagner, die blijk gegeven had over tekentalent te beschikken, in de hofhouding opgenomen zodat hij als vrijgestelde de kans kreeg belangrijke zaken weer te geven.

Een van de resultaten was het ‘Thierbuch’. (Overigens: deze Wagner eindigde zijn loopbaan als gouverneur van de Kaapkolonie.) Ook andere onderzoekers en kunstenaars konden rekenen op de belangstelling en steun van Johan Maurits, die zelfs met plannen rondliep om van Recife een groot universiteitscentrum te maken. Maar de Heeren Negentien van de West-Indische Compagnie waren niet onder de indruk van al die artistieke en wetenschappelijke plannen en wilden – zoals het oprechte kruideniers betaamt – maar één ding: winst en dat was heel wat anders.

Ze gaven Johan Maurits dus heel andere instructies, temeer omdat de Portugezen en Spanjaarden zich nog steeds niet hadden neergelegd bij de heerschappij van de heer van Nassau. Na het mislukte avontuur in Bahia Salvador volgde het Chili-drama. Elias Herckmans, behorend tot de staf van Johan Maurits, kreeg opdracht om vanuit Recife een expeditie te leiden naar de Spaanse goudmijnen in Chili om daar een slag te slaan – maar dan nu in goud – zoals Piet Hein dat al eerder gedaan had met de Zilvervloot ten gunste van de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Deze operatie mislukte omdat het uitgezette spionagenet ondeugdelijk bleek te zijn. De missie eindigde niet in de Spaanse goud-mijnen, maar in de haven van Recife.