Militaire dictatuur

Brazilië heeft een machtig militair apparaat, hoewel oorlogen in de Braziliaanse geschiedenis nauwelijks voorkomen en er geen vijanden zijn die het land voortdurend bedreigen. Maar de functie van het leger ligt op politiek gebied. Want het is een machtsfactor waar geen politicus of politieke partij omheen kan. Legerleiding, hoge ambtenaren en grootgrondbezitters zijn familie van elkaar en in de grondwet is vastgelegd dat het leger er op moet toezien dat de constitutionele machten de wet en de orde ongestoord kunnen handhaven.

Het leger had zich bij het vertrek van de keizer in 1889 voorgenomen diens ‘controlerende macht’ over te nemen en dat gebeurde dan ook. Maar dat werd en wordt meestal opgevat in conservatieve en/of hiërarchische zin, met andere woorden: bescherming van de gevestigde orde.

De democratische presidenten die een sociale beweging van boeren zonder eigen land steunen en dus het grootgrondbezit willen aanpakken, kortom de maatschappelijke verhoudingen willen veranderen, vinden het leger vaak tegenover zich. Dat gebeurde bijvoorbeeld ook in 1964 toen de democratische president Goulart vakbondswerk in het leger toestond en verdedigde.

Dit was aanleiding voor een revolutie volgens militair model. Het leger herstelde niet alleen de orde, maar greep ook de macht en zette linksgeoriënteerde bestuurders af. Vooraanstaande politici en leiders van de sociale beweging werden gevangengenomen, van hun politieke rechten ontheven en verjaagd. Verdere acties van vakbonden werden verboden.

Bij deze revolutie van 31 maart (1964) oftewel de staatsgreep van 1 april werd Castelo Branco door generaal Humberto de Alenier aangesteld als president. Gedurende 21 jaar werd Brazilië op deze wijze door de militairen bestuurd. In de eerste tien jaar ging dat niet zo slecht. De industrialisatie verliep voorspoedig, vooral in de zuidelijke staten. De auto-industrie zorgde voor veel werkgelegenheid. In 1980 rolden er 1,6 miljoen personenauto’s en 3 miljoen vrachtwagens van de lopende band.

Tussen 1970 en 1979 nam de economische productie toe met 230%, de landbouw met 156%. De 4300 km lange weg door het Amazonegebied, de Trans Amazonia Highway, werd voltooid. De regie van deze economische ontwikkeling lag in handen van de econoom Antônio Delfim Netto, die Brazilië in het jaar 2000 een plaats wilde doen innemen tussen de wereldstaten. Maar daarvoor was buitenlands kapitaal nodig en de oliecrisis van 1973 betekende in dat opzicht ook voor Brazilië een flinke streep door de rekening. De import werd duurder en de export stagneerde. Maar desondanks gingen de leveringen vanuit het buitenland door en zo mocht bijvoorbeeld het voormalige West-Duitsland 8 kerncentrales bouwen voor 30 miljard dollar.

Eind 1979 na de tweede oliecrisis kwam de werkelijke klap. De invoer overtrof de uitvoer en met de rentelasten van alle geleende kapitalen mee gerekend liep het tekort op tot 15 miljard dollar. Brazilië moest nu geld gaan lenen om alleen maar de rente te kunnen betalen, maar de banken weigerden en een bankroet dreigde. Behalve de portemonnaie raakte dit ook de nationale trots want het land kwam onder curatele van het Internationaal Monetair Fonds te staan en werd gedwongen de binnenlandse bestedingen drastisch te beperken met als gevolg een geweldige stijging van de werkloosheid (30% van de werkende bevolking).

Het leger van werklozen stroomde vanuit de favela’s en de steppe-achtige berggebieden naar de steden in de hoop daar werk te vinden. Maar ook daar stagneerde de economische ontwikkeling die zelfs tussen 1981 en 1983 daalde met 20%. De steden konden die toevloed niet verwerken en raakten in verval. De criminaliteit steeg onrustbarend. Moorden, inbraken en georganiseerde plunderingen van supermarkten vormden wereldnieuws. Het geduld van de werkende klasse raakte op en het vertrouwen in de militaire dictatuur verdween.

De jonge Partido dos Trabalhadores (partij van arbeiders) onder aanvoering van Luiz Imácio da Silva, kortweg Lula, gaf leiding aan dit verzet en nam in enkele dagen de macht van de onder staatstoezicht opererende vakbonden over. De militairen lieten het niet op een volksopstand aankomen en gingen een burgerregering voorbereiden.