Ontdekking

In de 15e eeuw stond Europa in het teken van de ontdekkingsreizen en het opzetten van handelsverbindingen over zee met Azië. Als uitvloeisel daarvan ontdekte Columbus in 1492 Amerika. Die ontdekking leidde tot een stevige ruzie tussen Spanje en Portugal. Want een land ontdekken en daar als eerste voet aan wal zetten betekende dat land in eigendom nemen. Terwijl Portugal bezig was om langs de Afrikaanse kust Indië te bereiken kwam Columbus de Spaanse koning berichten Indië vanuit het westen al bereikt te hebben.

Omdat Portugal van de pauselijke scheidsrechter in 1479 het monopolie had gekregen de route naar Indië in kaart te brengen en alles in bezit te nemen wat onderweg in handen kwam, moesten Spanje en Portugal nu tot een overeenkomst zien te komen. Landkaarten en zeeroutes moesten daarbij allereerst op hun feitelijke juistheid beoordeeld worden.

In het akkoord van Tordesillas, 7 juni 1494, werd de ontdekte en de nog te ontdekken nieuwe wereld opnieuw verdeeld met het volgende resultaat:

Alles ten oosten van de 49e breedtegraad – 370 zeemijlen (van 1852 m) van de Kaap-verdische Eilanden – zou Portugal toebehoren, terwijl Spanje het beheer zou voeren over alle ontdekte gebieden ten westen van deze lijn.

Daarbij was nog steeds het uitgangspunt een benadering van Indië vanuit het westen en zo dacht ook Pedro Alvares Cabral, die met 1500 man aan de oversteek begon. Deze Portugees, telg uit een oude Portugese familie, vertrok op 9 maart 1500 en bereikte reeds 5 dagen later de Canarische Eilanden.

Van eiland naar eiland voer zijn vloot zuidwaarts. Op 22 april ging men aan wal op een plaats die Porto Seguro (veilige haven) genoemd werd. Het was de woensdag van de paasweek, reden om het onbekende land Terra de Vera Cruz (Land van het Ware Kruis) te noemen.

Bij zijn terugkeer naar Europa liet Cabral twee langgestraften – degradados – achter, die met de Indianen verder optrokken en de oudste anonieme voorvaderen van de ‘Braziliaan’ zijn geworden.

Hout

De eerste dertig jaar beperkten de Portugezen zich tot verkenningen, kustbewaking en het verwerken van pau-brasil (brazielhout). Daartoe werden factorijen opgericht, min of meer beschermde terreinen, waar bomen tegen een bepaalde beloning door de Indianen werden afgeleverd en door de Portugezen voor transport werden klaargemaakt. Pau-brasil vervulde tot 1570 de hoofdrol in deze eerste economische cyclus. Het hardhout werd gebruikt voor het maken van schepen en het vervaardigen van verfstoffen. De factorijen zijn de voorlopers van de kolonisatieneder-zettingen. De eerste werd ingericht in Cabo Frio, ten noordoosten van Rio de Janeiro, later gevolgd door factorijen langs de gehele kust.

In 1530 vertrok een expeditie vanuit Portugal onder leiding van Martin Alfonso de Sousa met een duidelijk ruimere doelstelling. Er moesten kolonies ontwikkeld worden. Men gaat suikerriet en graan verbouwen. De druiventeelt wordt beproefd en er wordt vee geïmporteerd. Er verrijzen nu ook steden zoals Vila São Vicente aan de kust en – verder het binnenland in – Vila de Santo André da Borda do Campo de Piratininga.Gelukkig heeft deze laatste stad later een veel kortere naam gekregen: São Paulo. Jaar van de eerste steenlegging 1532.

In 1533 werd Martin Alfonso de Sousa de eerste gouverneur. Hij verdeelde Brazilië – van oceaan tot de meridiaan van Tordesillas – in 15 districten, elk 500 vierkante mijl. In elk district stelde hij een verantwoordelijk ambtenaar aan, de eerste bestuurlijke grootgrondbezitter. Deze bestuurder was bevoegd rechtspraak uit te oefenen, Indianen tot slaaf te maken, landgoederen toe te kennen aan kolonisten, steden te stichten en 20% van de grond mocht hij in eigen bezit nemen.

In 1549 werd het gouverneurschap ingesteld en kwamen er gemeentebesturen. De plantage-eigenaren en grootgrondbezitters waren in de bestuurlijke structuur al direct zeer autonoom. De eerste gouverneur was Tomé de Sousa. De banden met Portugal waren in deze eerste gouvernementele fase dun.Salvador wordt centrum en zetel van de koloniale overheid.

De Indianen zagen de nieuwe bewoners als ordeverstoorders en de relaties met de Portugezen werden slecht. Op hun beurt stelden de Portugezen zich superieur op. Zij maakten de dienst uit en probeerden de Indianen voor zich te laten werken. Maar de Indiaanse stammen waren niet in staat gezamenlijk verzet te bieden. Voor het werken op de plantages bleken de Indianen echter niet geschikt. te zijn. Waar zij in het oerwoud eindeloze tochten konden maken, raakten ze op de plantages snel vermoeid. Op het wilde water en in de donkere bossen waren ze scherpzinnig en vindingrijk, maar op de plantages moesten alle werkbevelen eindeloos herhaald worden. Het leven van de Indianen raakte ontregeld.

In 1554 stichtten de jezuïeten een missiepost in Brazilië en al spoedig namen deze het voor de Indianen op waardoor conflicten ontstonden met de burgerlijke bestuurders. (In 1759 werden de jezuïeten Brazilië uitgewezen. Hun evangelische bewogenheid was te hinderlijk voor de economische expansie.) De plantage-eigenaren gingen uitzien naar andere arbeiders die de wegkwijnende Indianen moesten gaan vervangen. Daarvoor kwamen in de eerste plaats in aanmerking de Portugezen die om godsdienstige of economische redenen Portugal verlieten. Maar dat waren er niet meer dan een 400 per jaar en dit aantal blanke arbeiders was te gering voor al het werk. Daar kwam nog bij dat ook nieuwe plantages opgezet moesten worden waar-voor eerst weer strijd moest worden geleverd met de Indianen want die lieten zich niet zo maar van hun eigen gronden verdringen. Later kwamen er nog andere groepen Portugezen naar de nieuwe kolonie, maar ook dat ging niet zonder problemen. De reeds langer in de kolonie levenden – de brasileiros – en de ‘zonen van het koninkrijk’ leefden niet in harmonie. Deze immigratie heeft daarom nooit een grote omvang gekend.

Hans Staden

De Duitser Hans Staden von Homburg schreef in de tweede helft van de 16e eeuw een boeiend verslag over een reis naar Brazilië. Als actief lutheraan was de Duitse grond hem te heet onder de voeten geworden toen keizer Karel V de oude rooms katholieke orde in zijn machtsgebied wilde gaan herstellen. Hans Staden vluchtte via Kampen naar Lissabon en vanuit deze stad bezocht hij Brazilië tweemaal.

Het verslag van de tweede reis is van groot historisch belang geworden omdat het beschouwd kan worden als een participerende observatie van de Indianen in Brazilië, levend onder de koloniale heer-schappij van Portugal. Bij zijn eerste reis in 1548 gingen 84 langgestraften mee die in Pernambuco in vrijheid gesteld werden. De tweede reis eindigde vanwege een schipbreuk op het eiland Santo Amaro voor de kust bij Santos waar hij door de Topinambou-Indianen gevangen werd genomen, die hem aanzagen voor een Portugees en van plan waren hem op rituele wijze te doden. Maar na ongeveer negen maanden werd hij gered door een Franse expeditie. Intussen had hij zijn ogen goed de kost gegeven.

In zijn in 1555 verschenen boek ‘Wahrhaftige Historia und Beschreibung eines Landes der Wilden, nack-ten, grimmigen Menschenfresser, in der neuen Welt Amerika gelegen’ beschrijft hij op meesterlijke wijze het leven van deze Indianen. Hoe zij huizen bouwen, vuur aanleggen, voedsel bereiden, slapen, vissen, alcohol bereiden. Voorts hun amoureuze spelregels, de oorlogsvoorbereiding, de flora en de fauna en het ritueel van het doden van een vijandelijke gevangene. Het boek was direct een bestseller en beleefde meer dan 80 herdrukken.

Negers in Brazilië

Omdat de Indianen ongeschikt bleken voor het zware werk op de plantages kwam men op de gedachte daarvoor negers te gaan halen uit Afrika. De neger was een goede arbeidskracht die zich bovendien altijd dienstbaar opstelde. Reeds in de oudheid was dat het geval geweest en waren zij slaven geweest van de Romeinen en de Egyptenaren. Het idee leek dus legitiem en werd bovendien nog aangemoedigd door de rooms-katholieke priesters, die op deze wijze de Indianen wilden beschermen.

De eerste negers werden in 1538 gehaald uit Angola en Guinea. De handel kreeg al snel een grote omvang, mede omdat de slavenhandel zeer lucratief bleek. Ronselaars, vervoerders, ambtenaren, ze verdienden er allemaal aan. Tussen 1538 en 1850 moeten er in Brazilië miljoenen slaven aan land gebracht zijn. Precieze cijfers ontbreken om diverse redenen. Ten eerste waren er enorme verschillen tussen de aantallen ingescheepte en aan land gebrachte slaven. De schepen waren volgepropt, hygiëne en voeding lagen op een bedroevend laag niveau zodat vele negers de overtocht niet overleefden.

Maar een andere belangrijke reden is dat alle op deze onterende mensenhandel betrekking hebbende documenten op last van de liberale minister Rui Barbosa in 1890 verbrand werden. Blijkbaar om alle sporen uit te wissen. Desondanks kan op basis van andere gegevens becijferd worden dat het totale aantal naar Brazilië overgebrachte negers ongeveer 3,5 miljoen bedragen moet hebben.

Onmiskenbaar hebben deze negers de ontwikkeling van Brazilië mede bepaald en een grote invloed gehad op de zo unieke cultuur van dit land. Zonder iets af te willen doen aan de mensonterende toestanden die ook in Brazilië heersten op vele plantages en in slavenhuizen was de situatie daar milder dan in vele andere koloniale gebieden waar andere overheersers de normen bepaalden. De Portugezen waren humaner en toleranter en lieten oogluikend toe dat hun zwarte slaven hun eigen cultuur en godsdienst bewaarden en beleefden. Vanaf het begin ook vermengden de Portugezen zich met hen en daaruit is de mulat voortgekomen.

Geen wonder ook dat onder deze omstandigheden de Portugezen hun cultuur en godsdienst vermengd hebben met die van de Afrikanen en daaruit is dan voortgekomen een soort Braziliaanse godsdienst (candomblé) en een Braziliaanse cultuur (muziek, kunst, keuken). Zie ook bij kunst en cultuur. Ondanks deze boeiende en voor de geschiedenis van Brazilië zo essentiële zaken moet deze geschiedenis natuurlijk niet al te eenzijdig gezien worden.

Want een feit is ook dat vele negers, die de afschuwelijke overtocht overleefd hadden vaak het slachtoffer werden van hardvochtige meesters en folteringen of verkrachtingen moesten ondergaan. Pure machtswellust tegenover volstrekte rechteloosheid. Ook daarom zijn thans termen als de tumbeiros en de senzala (de schepen die de dood vervoeren en de slavenhuizen) voor negers nog zeer beladen begrippen.

Zoals reeds gezegd stonden de Afrikaanse slaven bekend als sterk en onderdanig, maar desondanks waren er velen die de zware arbeid vaak meer dan beu waren en dan ook probeerden te vluchten. Soms hielden zij zich schuil in Indianendorpen, waar zij werden opgenomen en vaak leidende posities verwierven. Soms vluchtten zij het oerwoud in om een naar Afrikaans model opgezette samenleving te beginnen. Het meest bekende voorbeeld daarvan is geweest in Palmares, op de grens van de staten Pernambuco en Alagoas waar op een bepaald moment 10.000 gevluchte Bantoenegers in een soort Afrikaans koninkrijkje verenigd waren dat enkele tientallen jaren de Portugese strafexpedities weerstand kon bieden.

Ook de Hollanders, tijdelijk heer en meester in Noord-oost-Brazilië, hadden hier geen succes. Maar in 1695 ten slotte maakte Domingos Jorge Velho een einde aan deze ‘vluchtelingenstaat’. Elders kwamen negerslaven eveneens enkele malen in opstand, maar ook die opstanden werden neergeslagen en de straffen waren niet mals.

Toen in 1888 ook in Brazilië de slavernij afgeschaft werd betekende dat wel het formele einde van 2,5 eeuw slavengeschiedenis, maar in feite veranderde er weinig. Ook nu nog verkeren de meeste Negrobrazilianen in de onderste sociale klassen. Zij hebben weinig of geen onderwijs genoten, zijn werkloos of hebben alleen maar tijdelijke slechtbetaalde baantjes, bijvoorbeeld bij de suikerrietoogst. Ook hun huisvesting is niet best, ze wonen of op de droge sertão of in de favela’s rond de steden.

Maar de keerzijde van deze trieste medaille is dat de negers er mede aan bijgedragen hebben dat Brazilië een boeiend land geworden is met een vitale cultuur en met mensen die van het leven – hoe somber dat ook wel eens moge zijn – weten te genieten.

In het zuiden zijn deze kenmerken het minst aanwezig omdat daar nauwelijks Afrikaanse negers aan het werk geweest zijn. De arme plantagebezitters daar konden destijds de dure slaven niet kopen en moesten zich behelpen met de onwillige Indianen. Maar vandaag de dag is het zuiden meer ontwikkeld en rijker dan het noordoosten.

Andere kolonisten

We hebben nu kennisgemaakt met drie groeperingen die Brazilië tot het begin van de 19e eeuw bevolkten: de oorspronkelijke bewoners (de Indianen), de koloniale overheersers (de Portugezen) en de negers die geschikter bleken voor het slavenwerk dan de Indianen.

In 1818 kwamen er op uitnodiging van de Braziliaanse regering 2000 Zwitsers, in 1824 gevolgd door 126 Duitsers. Na 1850, toen de invoer van slaven verboden werd, kwam er een meer systematische immigratie op gang van vooral Italianen, Spanjaarden en ook weer Duitsers. Dit waren vaak ongeschoolden die weinig of niets te verliezen hadden en op de plantages het werk van de negers gingen overnemen. Ook Japan, Noord-Amerika, Polen en Rusland leverden een aanzienlijk aantal nieuwe Brazilianen, terwijl joden en andere vervolgde minderheden eveneens de weg naar het liberale Brazilië vonden.

Over het algemeen zijn deze immigranten goed geïntegreerd in de Braziliaanse samenleving. Ze zijn echte Brazilianen geworden en hebben belangrijke bijdragen geleverd aan de economie en de cultuur. Vrijwel overal is de tweede generatie meer Braziliaan dan Italiaan, Duitser enz.

Pas na 1950 is er een systematische immigratie van Nederlanders en landgenoten uit Indonesië op gang gekomen. Tegelijkertijd zijn Belgen en Belgen uit Kongo een nieuwe toekomst in Brazilië begonnen.

Suiker

Tussen 1549 en 1570 nam de blanke bevolking toe van 3000 tot 20.000 en breidde het in cultuur gebrachte gebied zich uit. Grenzen werden verlegd, Indianen verjaagd en nieuwe nederzettingen gevestigd. De economie van Brazilië steunde in de hele 16e en 17e eeuw op de opbrengsten van de suikerplantages in het noordoosten. Er was toen sprake van een migratie van het zuiden naar het noorden.

Later zal dat andersom worden.

Vanuit de kuststreek trokken de bandeirantes, onder wie te verstaan pioniers, ontdekkingsreizigers etc. steeds verder het binnenland in. In feite waren dit gewapende benden die de Indianen tot slaaf maakten of verdreven, dorpen met de grond gelijkmaakten en edele metalen zochten. Voor de expedities van de bandeirantes werden halfbloed Indianen geworven. Zij voeren met kano’s de rivieren op en trokken door de bergen en de oerwouden, waarbij enorme afstanden werden afgelegd. Maar het waren analfabeten, die hun daden niet vastlegden in schrift of tekeningen.

Ze vonden ook goud en wel in de binnenlanden van Minas Gerais. We zijn dan al in 1693-1695. De goudzoekerskampen ontwikkelden zich tot stadjes die nu nog aan deze gouden tijden herinneren.

Goud

De goudvondsten gaven een nieuwe economische impuls, maar de suikerindustrie stortte in. Want wie de mogelijkheid had verliet de plantages en stortte zich in de goudhandel of haastte zich naar de goudvelden. Smokkel, belastingontduiking en gevechten tussen groepen gouddelvers gaven het goud een criminele glans. De grote goudvondsten (maar behalve goud werden ook diamanten gedolven in Minas Gerais, Mato Grosso en Goias) leidden tot inflatie en ten slotte tot een economisch bankroet.

De helft van de wereldproductie van goud kwam tenslotte uit Brazilië en dat leverde fikse belastingopbrengsten op voor de Portugese schatkist. Maar ook daar steeg de koorts sneller dan de prijzen en bleef een extravagante luxe en toenemende staatsschuld als herinnering. Een ander gevolg van deze goldrush was dat het Braziliaanse binnenland nog verder ontsloten en bevolkt werd door de toestromende goudzoekers.

Zo waagden in de 18e eeuw niet minder dan 400.000 Portugezen de oversteek naar het goudland Brazilië waar ze tegelijk aankwamen met 600.000 slaven uit Afrika. Het economisch zwaartepunt kwam door dit alles te liggen in Minas Gerais.

Maar ook het politieke centrum verschoof van het noordoosten naar het zuiden en Rio de Janeiro werd in 1763 de nieuwe hoofdstad. In deze 18e eeuw gaan ook de steden aan de kust zich sneller ontwikkelen en verrijzen er eveneens steden dieper het binnenland in. Tot dan toe hadden de Portugese immigranten hoofdzakelijk op de plantages, fazenda’s geleefd en dus op of nabij de plaatsen van hun agrarische activiteiten.

Daarin verschilde Brazilië van de Spaanse kolonies want daar hadden de immigranten zich direct in de steden gevestigd, die meestal op een mooie berg lagen met als centrum een groot plein met een groot paleis en een statige kerk. In de stad concentreerden zich dan de handel en nijverheid en vanuit de steden werd het transport geregeld en controle uitgeoefend over de winning in de mijnen.

Deze verstedelijking ontstaat in Brazilië dus pas in de 18e eeuw. Er komt nu ook snel een bestuursnetwerk tot stand met ambtenaren, wetten en belastingen.

De bemoeienis van Portugal begon echter irritaties op te roepen. Er werd op alles belasting geheven zodat voor investeren nauwelijks geld overbleef en Brazilië geen eigen industrie kon opzetten. Brazilië diende een wingewest te blijven dat alleen goed was voor het leveren van grondstoffen. Handel, transport en verwerking bleven in handen van de Portugezen.