Prehistorie

In de 6e eeuw voor onze jaartelling staken Aziatische volken over naar het Amerikaanse continent. Maar waarschijnlijk woonden daar toen al mensen. Men neemt dit althans aan op basis van archeologische vondsten (skeletten, resten van onderkomens en aardewerk). In deze prehistorie zijn vier culturen te onderkennen:

•, In Minas Gerais woonden de mogelijke voorouders van de Nambikwara-stam (Lagoa Santa). Dit wordt aangenomen op grond van de bouw en vorm van de aldaar gevonden schedels.

•, Langs de kust hebben de Sambaquis geleefd gezien de aldaar gevonden resten van wooncultuur, zoals keukenafval.

•, Op het eiland Marajó in de monding van de Amazone bij Belém is prachtig keramiek gevonden en werden grafheuvels (mounds) aangetroffen. De Mound do Pacoval is een toeristische bestemming. Deze Marajoara-cultuur is nog tamelijk recent (12-13e eeuw na Chr.).

•, Stroomopwaarts in de Amazone, bij Santarém is een nog jongere, maar ook minder ontwikkelde cultuur aangetroffen. Deze cultuur vertoont enige overeenkomsten met die van de grafheuvelbouwers op het eiland Marajó.

Indianen

Zoals misschien wel bekend is, werd de naam Indianen door Columbus gegeven aan de oorspronkelijke bewoners van Amerika, toen hij daar landde. Hij dacht namelijk Indië bereikt te hebben en noemde de bewoners Indios. Begrijpelijk dat, toen in de 16e eeuw de Portugezen het nieuwe land Brazilië binnentrokken, de her en der aangetroffen groepen nomaden en andere kleine gemeenschappen, die in semi-permanente bewoningen verbleven, door hen ook Indianen genoemd werden. Deze mensen leefden van wat het land en de bomen opbrachten, bedreven enige veeteelt en wat visserij. Van gespecialiseerde nijverheid of handel was nauwelijks sprake. Lezen en schrijven waren onbekende zaken. In de semi-permanente hutten leefden diverse families bij elkaar. Om deze hutten, die dicht bij elkaar stonden, was een houten wal – paliçadas – gebouwd. Elke (nomaden) gemeenschap had een eigen taal, een eigen cultuur, eigen gewoonten en leefregels.

 Maar antropologen en taalwetenschappers vonden later verwantschappen in taal en cultuur en kwamen tot vier stammenfamilies.

De Tupi-Guarana-Indianen leefden langs de kust in kleine dorpen met 4 tot 7 grote hutten, malocas genaamd, die opgetrokken waren rondom een rechthoekig plein. Voorzover hun nakomelingen nog in stamverband leven is dat ver in het binnenland, tussen de Rio Madeira en de Rio Tocantins in de Amazonestaten Pará en Amazonas. Zij belijden een Messiaanse godsdienst en zijn op zoek naar het land van geluk. Zij leefden en leven van de jacht, visvangst en landbouw. Dit laatste is een taak voor de vrouwen.

De Tupi-taal werd tot het midden van de 19e eeuw als Braziliaanse taal naast het Portugees gebruikt en gepropageerd.

De Caribas-Indianen leven ten noorden van de Amazonerivier, zijn strijdlustig en kennen een religieus kannibalisme. Hun godsdienst is fetisjistisch. Aan de Caribas wordt de uitvinding van de hangmat toegeschreven.

De Arauques-Indianen zijn vredelievend, maken fraai aardewerk en zijn tevens uitstekende landbouwers.

Gé- of Tapoeias-Indianen leven rond de Tocantins. Ze zijn zeer primitief, leven alleen van de jacht en van wat de natuur verder oplevert. Zij kennen geen landbouwcultuur, vervaardigen geen gebruiksvoorwerpen en slapen op de grond rond een open vuur. In het begin van de 16e eeuw waren er naar schatting 2 miljoen Indianen in wat nu Brazilië is.

Nu leven er nog ten hoogste 100.000 Indianen in stam-verband. Daarbij gaat het om ongeveer 150 stammen/ dorpen. Twee derde van de Indianen woont in het Amazonegebied. Bekende stammen zijn de Macu, de Tucano en de Yanomami. Een kwart van de Indianen-stammen is langs de oostgrens van Bolivia te vinden (Avante, Bororé, Xerente en Nabikwara). Enkele stammen leven nog in het zuiden (Kaingang, Guarani) en het noordoosten (Potiguara).