De bovenstad

Salvador is te verdelen in een bovenstad (cidade alta) en een benedenstad (cidade baixa). Liften zorgen voor snelle verbindingen. In de bovenstad staan de oudste koloniale gebouwen, op de Praça da Sé en het Terreiro de Jesus bijvoorbeeld de Catedral Basílica uit 1656. Deze jezuïetenkerk is open voor publiek van 8.00-11.00 uur en van 15.30-18.00 uur, maar op zondag alleen geopend voor diensten. Tijdens carnaval gesloten. Dit laatste geldt overigens voor meer kerken en dikwijls ook voor musea en andere openbare gebouwen. De basiliek met veel marmer en goud wordt als de mooiste kerk van Salvador beschouwd. Daarnaast staat de Ordem Terceira de São Domingos uit 1731 en de São Pedro dos Clérigos uit 1709. In de oude medicijnenfaculteit op hetzelfde plein is het Afro-Brasileiromuseum gevestigd met veel aandacht voor de goden en heiligen van de candomblé en de rituelen van deze Bahiaans/Afrikaanse godsdienst. De capoeira wordt duidelijk in beeld gebracht.

Op dit plein staat tevens het -Archeologisch en Etnologisch Museum. Beiden musea zijn geopend van dinsdag t/m zaterdag van 8.00-11.30 en van 14.00-17.30 uur. Op de Terreiro de Jesus is er elke zondagmorgen een kunst- en handwerkmarkt. Aan de Ladeira do Carmo staat de Igreja da Ordem Terceira do Carmo en daarnaast het Convento do Carmo. De kerk is een bezoek waard vanwege de beelden en schilderingen. De beeldhouwer, Francisco das Chagas, verbeeldde realistisch de Christusfiguur en de heiligen. Let ook op de plafondschilderingen. In het convent is nu een prima restaurant en een – duur – hotel.

Op de Praça Anchieta, enkele minuten lopen van de Praça de Sé staat de mooiste barokkerk van Brazilië, die gewijd is aan São Francisco (1708-1750). Met het bij deze kerk behorende klooster uit 1587 bezit Salvador een origineel koloniaal monument van grote klasse. De stenen voor de bouw werden uit Portugal aangevoerd en aan het houtsnijwerk van de barokaltaren is alle tijd besteed. In een van de zijaltaren staat de beeltenis van Petrus van Alcântara, uit een boomstronk gesneden door een van Braziliës begaafdste barokartiesten, Manoel Inácio da Costa.

Kenners van Delfts blauw zullen in de kloostergalerij met veel waardering vaststellen dat ook andere kunstenaars het recept van dit voor Nederland zo kenmerkende keramiek kenden. Naast deze kerk staat de oudere, maar kleinere Orden Terceira de São Francisco uit 1703 (Rua Ignácia Accioli, links van het plein). Open van 8.00-11.30 uur en 14.00-17.30 uur, behalve ’szondags en ’smaandags. Een aantal vertrekken is ingericht als museum (beelden, misgewaden en schilderijen).

Van de Praça Anchieta gaat men terug naar de Terreiro de Jesus, rechtsaf langs de Rua Afredo Brito naar Pelourinho, een wandeling waarbij heel veel te zien is! Elk pand en elke zijstraat en stoep laat een stukje van Salvadors stadshart zien. Het straatje loopt steil naar beneden. Op de hoek rechts is het winkel/woonhuis van Jorge Amado. Al zijn werken zijn hier te koop. Fotopanelen geven een overzicht van zijn leven en relaties.

Op de Praça Pelourinho werden in de gouden tijden van weleer voor de ogen van de rijke meesters de slaven bijeengebracht die veroordeeld waren tot het ondergaan van een marteling -(pelourinho = schandpalen). Nu kan men er een verfrissing gebruiken en ondertussen genieten van de mooie goedgerestaureerde gevels uit de 17e en 18e eeuw. Maar de slaven hebben hier nog een andere herinnering achtergelaten, namelijk de kerk Nossa -Senhora do Rosário dos Pretos, die net buiten de stadsmuur gebouwd moest worden, omdat ze niet in de ‘blanke’ kerken mochten komen. Van meet af aan vierden ze in deze kerk de eigen rituelen, (candomblé) en vulden ze de kerk met eigen – zwarte – heiligen. Voor de goede orde kregen die wel de namen van christelijke heiligen. Elke dinsdagavond wordt er een christelijk/Afrikaanse dienst gehouden in deze kerk.

De Unesco en de Wereldbank hebben fors geïnvesteerd om het oude centrum van Salvador zijn glans te doen behouden. Panden zijn stuk voor stuk gerestaureerd, straten zijn opnieuw met kinderhoofdjes geplaveid. Internationale bedrijven hebben hun hoofdkwartier gevestigd in de gerestaureerde panden en ook nieuwe rijken geven hun status kleur door er te gaan wonen. Zo is het oude centrum levendiger geworden en ook minder onveilig.

In 1985 is het centrum op de UNESCO Werelderfgoedlijst geplaatst en heeft de wereldbank er meer dan 30 miljoen in de restauratie geïnvesteerd. Jammer is, dat er nogal wat gesjoemeld is bij de restauratie. Met kunst en vooral vliegwerk is oud zeer toegedekt, het budget opgestreken en al snel werd het oude zeer hier en daar weer zichtbaar. Naast het Casa de Jorge Amado is het Museu da Cidade met veel Afro-Braziliaanse folklore. Op de bovenste verdieping staan beelden, Afrikaanse goden in de bijbehorende kleding, telkens met de namen erbij, zowel de namen uit het candomblé als uit de katholieke traditie. Het museum is open van maandag tot en met vrijdag van 8.00-12.00 uur en van 14.00-18.00 uur. Adres: Rua Gregório de Matos 40. Aan de lage kant van het plein zijn stoepen, de Ladeira do Carmo, waarlangs men het Largo do Carmo bereikt.

Dit plein en het Museum das Portas do Carmo (Igo do Pelourhina) vertonen nog de sporen van de Hollanders van destijds, want in het Convento do Carmo zitten nog de gaten van de kanonskogels die door de Spanjaarden in 1624 afgevuurd werden om de Hollanders te verjagen die hier ook de overgave tekenden. Desgewenst kan men de handtekeningen van Schouten en Stoop ter inzage krijgen in het Convento, dat gedeeltelijk ook als hotel in gebruik is. Maar het gebouw zelf (daterend uit 1585) is nog in originele staat en fraai om te zien. Het is geopend van maandag tot zaterdag van 11.00-18.00 uur.