De introductie van het boeddhisme en de opkomst van het taoïsme

In 556 v.Chr. stichtte de Indiase prins Siddharta Gautama het boeddhisme, en tegen het jaar 2 van onze jaartelling had dit zich in China verbreid tot aan de keizerlijke familie, edelen en geleerden. Keizer Mingdi van de Han-dynastie was een vroom boeddhist en stuurde een gezantschap naar India om er uitstekende boeddhistische leraren te zoeken. Nog voordat ze in India aankwamen, ontmoetten zijn gezanten twee eminente Indiase boeddhistische zendelingen, die werden uitgenodigd om de keizer te ontmoeten. Toen de soetra’s die de twee priesters bij zich hadden eenmaal in het Chinees waren vertaald, verbreidde het boeddhisme zich onder het gewone volk. Prediking van de nieuwe godsdienst onder het volk zorgde voor verdere verbreiding. Het boeddhisme beïnvloedde het confucianisme en het taoïsme en werd op zijn beurt daardoor beïnvloed; vandaar dat het boeddhisme gesinificeerd raakte.

Van de 3e tot de 6e eeuw won het boeddhisme aan populariteit, en in heel China werden talrijke tempels gebouwd. In het midden van de 3e eeuw werden de eerste manlijke Han-Chinezen tot boeddhistisch priester gewijd, en in de 4e eeuw werden de eerste vrouwen non. De monnik Dao’an voerde een regel in die monniken en nonnen verbood vis en vlees te eten. Het was tijdens de Sui- en de Tang-dynastie dat het boeddhisme in China zijn grootste invloed en luister bereikte.

Xuan Zang, een beroemde Chinese monnik, ondernam een epische pelgrimstocht naar India die 17 jaar duurde. Hij bracht een over-vloed aan soetra’s naar China terug en vertaalde ze in het Chinees, waarmee hij een aanzienlijke bijdrage leverde aan de ontwikkeling van het boeddhisme in China. Uiteindelijk ontwikkelden zich in China acht boeddhistische scholen, Drie Verhandelingen (sïnlùnzong ???), Dharmalaksana (faxiàngzong ???), Avatamsaka (huáyánzong ???), Vinaya (lü`zong ??), Tiantai (tiïntáizong ???), Tantra (mìzong ??), Reine Land (jìngtuzong ???) en Chan (chánzong ??), dat ook bekendstaat onder zijn Japanse naam, Zen. Het boeddhisme kreeg een sterke Chinese inslag, vervreemdde van zijn Indiase bronnen, en kreeg een enorme invloed op de Chinese politiek, economie, cultuur en maatschappij.

Voordat het boeddhisme zich omstreeks de 7e of 8e eeuw vanuit centraal China en Nepal naar Tibet verspreidde, beoefenden de Tibetanen Bön, een veelgodenreligie. Een belangrijke rol in de verbreiding van het boeddhisme naar Tibet werd door prinses Wen-cheng gespeeld, die door haar vader, keizer Taizong van de Tang-dynastie aan Songtsen Gampo, koning van het Tibetaanse Tubo-rijk, ten huwelijk werd gegeven. Ze bracht tal van boeddhistische artefacten naar Lhasa en hielp de Tibetanen bekeren. Padmasambhava (Liánhuïshêng ???), een oude Indiase monnik, combineerde het tantrisme met de plaatselijke Bön-religie. Zijn boeddhistische leer was in trek bij de Tibetanen omdat hij veel inheemse Bön-rituelen en -ideeën aanpaste. Hieruit ontstond het Tibetaanse boeddhisme, dat ook bekendstaat als lamaïsme omdat de monniken lama’s worden genoemd.

Later namen ook etnische minderheidsgroepen in het zuidwesten van China het boeddhisme over, dat zich vanuit India ook naar Sri Lanka, Birma, Thailand en andere Zuidoost-Aziatische landen verspreidde.

De opkomst van het taoïsme

Het taoïsme ontstond in de 2e eeuw na Chr. toen de Oostelijke Han-dynastie uit elkaar begon te vallen. Toen het keizerrijk in elkaar bestrijdende koninkrijken uiteenviel, braken in de provincies Hebei en Sichuan twee boerenopstanden uit; de ene was gebaseerd op het Taiping-taoïsme, de andere op het Vijf Schepels Rijst-taoïsme. Zij vereerden Laozi (Lao Tse, Laozi ??), een Chinese filosoof van de Lente en Herfstperiode, als de stamvader van het taoïsme. Volgens de Dao De Jing (Tao-Teh Ching, het Boek van de Weg en de Deugd; dàodéjîng ???), die aan Laozi wordt toegeschreven, is het centrale geloofsidee van het taoïsme de vestiging van een utopische vrede waarin iedereen als gelijke naast elkaar leeft.

De opstand in Hebei werd neergeslagen, en de opstandelingen gaven zich over aan Cao Cao (Cáo Cïo ??), de grondlegger van het koninkrijk Wei. Het Vijf Schepels Rijst-taoïsme in Sichuan en het zuiden van Shaanxi bleef echter bestaan, en na de 3e eeuw begonnen veel geleerden en ambtenaren zich ertoe te bekeren. Daardoor raakte het langzamerhand zijn scherpe kantjes kwijt en werd tot een religie die gebaseerd was op de Tao (dào ?).

Taoïsten vereren Laozi als hun stamvader, Zhang Daoling (Zhïng Dàolíng ???), stichter van het Vijf Schepels Rijst-taoïsme, als de Hemelse Meester (tiïnshî ??) en zien de Dao De Jing als hun bijbel. In dit boek is “Tao” de oorsprong van het heelal en de schepper van alle levende wezens. Het taoïsme nam ook de natuur- en voorouderverering van al eerder bestaande Chinese religies over, en taoïsten geloofden ook dat mensen onsterfelijk en hemelse wezens konden worden door een ascetisch leven te leiden.

Om het taoïsme te canoniseren verleenden de keizers van vroegere dynastieën de titel “Hemelse Meester” aan de nazaten van Zhang Daoling, en het taoïsme zelf kwam bekend te staan als “tianshi dao” of “zhengyi dao”. In het midden van de 12e eeuw legde de taoïst Wang Chongyang de grondslag voor de Quanzhen-school van het taoïsme door voor te stellen dat taoïsten zich ook aan de principes van het boeddhisme en het confucianisme zouden houden; dat taoïsten celibatair zouden blijven, alleen met andere taoïsten zouden samenleven, vegetariërs zouden worden en ook in andere opzichten ascese zouden beoefenen. Zo raakte het taoïsme verdeeld in twee scholen, Quanzhen en Zhengyi.