De komst van de islam met culturele uitwisseling en migratie

Tegen de 7e eeuw namen handel en culturele contacten tussen China en Arabië steeds meer toe. Veel Arabische kooplieden gingen zich in China thuis voelen en vestigden zich om zakelijke redenen of vanwege een huwelijk langs de Zijderoute. De handelaren en hun nakomelingen zouden de eerste moslims in China worden.

Tijdens de Song-dynastie kwam de handel langs de Zijderoute door oorlog vrijwel tot stilstand. Dit leidde tot het ontstaan van de maritieme Zijderoute, die vanuit de kuststeden van China via de kust van Zuidoost-Azië naar Arabië liep. In Guangzhou, Quanzhou, Hangzhou en Yangzhou zijn nog veel moskeeën bewaard gebleven die in de Song-tijd gebouwd zijn.

Etnische immigratie is een andere factor die tot de invoering van de islam in China heeft bijgedragen. Een grote immigratiegolf vond plaats tijdens de opstanden van An Lushan en Shi Siming onder de Tang-dynastie. De Tang-keizer moest soldaten uit Arabië rekruteren om de opstand neer te slaan, en na de oorlog vestigden veel van de moslimsoldaten zich in China. Een andere grote instroom vond plaats nadat Dzjengis Khan zijn enorme rijk in Azië en Europa had gevestigd. Hij moedigde grote aantallen mensen uit Centraal- en West-Azië aan in China te immigreren, en de meesten daarvan waren moslims. Deze laatste migratie vormde de basis voor het Oeigoeren-volk, en ook tegenwoordig nog praktiseren de Oeigoeren (Hui) de islam met hun eigen unieke tradities.

Na de 10e eeuw begonnen etnische minderheden in het noordwesten van China zich tot de islam te bekeren. Aan het eind van de 15e eeuw verbreidde de godsdienst zich naar de Oeigoeren (Hui) in Xinjiang, en tegen de 17e eeuw werd de islam – met name de Soennitische tak ervan – de overheersende godsdienst in dat gebied.