Modern China (1840-1949)

De moderne geschiedenis van China begint met de Opiumoorlog van 1840, tussen China en Groot-Brittannië. Vóór deze oorlog had de Qing-regering al een aantal gevechten met westerse mogendheden gevoerd, maar het was de nederlaag van de Qing tijdens de Opiumoorlog die tot de slopende “Ongelijke Verdragen” leidden. Onder deze verdragen konden westerse landen China van zijn rijkdommen beroven en zijn bevolking uitbuiten. Aan het eind van de 19e eeuw, toen kapitalisme en imperialisme hand in hand gingen, groeide de westerse druk op China. De oude Chinese tactiek van het uitspelen van de ene dreiging tegen de andere werkte niet meer, de verdragen bevatten een meestbegunstigingsclausule die inhield dat ieder voordeel dat aan het ene westerse land werd toegekend, ook aan alle andere landen moest worden gegund.

Net zoals in Afrika bakenden de imperialistische mogendheden invloedssferen en concessiegebieden voor zich af waar zij extraterritoriale bevoegdheden uitoefenden. Feitelijk verloor China zijn eigen soevereiniteit: zo hadden de westerse mogendheden de zeggenschap over de Chinese douane-inkomsten en konden hun eigen tarieven en belastingen voor importgoederen vaststellen.

In deze tijd raakte China zijn zeggenschap over Macau en Hongkong kwijt en werd het Oude Zomerpaleis (yuánmíng yuán ???) in 1860 door een Engels-Franse troepenmacht in de as gelegd.

Terwijl westerse landen China binnendrongen, maakte de ingewortelde corruptie binnen het overheidsapparaat het vrijwel onmogelijk dat proces een halt toe te roepen. Na de Opiumoorlog beseften de meer vooruitziende geleerden van de heersende klasse (de zogeheten “zelfversterkingsbeweging”) dat China zich zou kunnen versterken als het net zoals Japan westerse wetenschap en technologie zou overnemen.

Bijgevolg begonnen de geleerden ondanks sterke tegenstand van conservatieve Qing-functionarissen actief naar hervorming van het leger en het verouderde confuciaanse onderwijssysteem te streven. Na de Chinese nederlaag in de Chinees-Japanse oorlog van 1895 kregen de hervormingsgezinden een nieuwe impuls. In 1898 stelden hervormers onder leiding van Kang Youwei, Liang Qichao en de vrijwel machteloze keizer Guangxu drastische hervormingen voor het bestuur van de Qing voor. De hervormingen, die de overname van politieke instellingen naar westers model behelsden, zouden van de Qing een constitutionele monarchie hebben gemaakt. Maar omdat de oppermacht berustte bij de keizerin-weduwe Cixi, die er niets van wilde opgeven, liep de hervormingsbeweging na 100 dagen op een mislukking uit.

Volksopstanden, waarvan sommige met een egalitaire inslag, ondermijnden het gezag van de Qing in heel China. Onder leiding van Hong Xiuquan, een geleerde die voor zijn bestuursexamens gezakt was, begon in 1851 de Taiping-opstand. Deze beweging organiseerde en mobiliseerde boeren onder een pseudo-christelijk vaandel. In 1899 ontstond de Bokseropstand. Oorspronkelijk waren de Boksers een ondergrondse organisatie die zwaar steunde op bijgelovige overtuigingen. Ze ontwikkelde zich snel tot een xenofobe beweging die als doel had de westerlingen uit China te verdrijven.

Sommige hervormers vonden dat ingrijpende hervormingen nodig waren om China nieuw leven in te blazen. Alleen maar hervorming van de keizerlijke dynastie was niet genoeg meer – wilde China overleven dan moest de Qing-dynastie omver worden geworpen. In 1911 was het zover: onder leiding van de onvermoeibare revolutionair Sun Yat-sen werden de Qing ten val gebracht. In het jaar daarop, 1912, werd de Republiek China gesticht met als hoofdstad Nanjing. Het bestuur werd gebaseerd op de “Drie Volksbeginselen”: nationalisme, democratie en het welzijn van het volk.

Drie maanden na de stichting van de Republiek China viel het land in handen van noordelijke krijgsheren onder aanvoering van Yuan Shikai, een voormalige Qing-generaal. Yuan had grootse plannen om zichzelf tot keizer van zijn eigen keizerlijke dynastie te kronen, maar door hevige tegenstand van diverse provincies ging de kroningsceremonie niet door.

Intussen voltrok zich naast de politieke revolutie ook een sociale omwenteling. In 1915 werd een “Nieuwe Cultuurbeweging” gelanceerd. Haar pleitbezorgers hoopten dat democratie en wetenschappelijke vooruitgang China’s oude cultuur zouden transformeren – ze geloofden dat geavanceerde technologie uit het Westen en de ideeën van de westerse Verlichting tot een modernisering van China zouden leiden. In deze periode kwam schrijven in de Chinese spreektaal tot volledige ontwikkeling – de streng formele schrijftaal van het klassieke Chinees raakte in onbruik. Tot de voorstanders van deze nieuwe literatuur behoorde Lu Xun, een van China’s invloedrijkste schrijvers en sociale commentatoren, onder meer bekend om zijn Het ware verhaal van Ah Q (ï Q zhèngzhuàn ?Q??).

In 1919 werd de Beweging van de Vierde Mei, op gang gebracht door studenten die protesteerden tegen de uitbuiting van het land door krijgsheren en het westerse imperialisme, tot een keerpunt in de geschiedenis van het moderne China. Het was een van de vroegste uitingen van Chinees nationalisme. In hun speurtocht naar remedies voor de Chinese beproevingen kozen sommigen voor het marxisme, en in 1921 werd in Shanghai de Communistische Partij opgericht. In 1924 vormden de nationalisten en de communisten officieel een eenheidsfront voor de strijd tegen de heerschappij van de krijgsheren.

In het voorjaar van 1927 verhuisde de nationalistische regering onder leiding van Chiang Kai-shek de nationale regeringszetel officieel naar Nanjing terug. Dit was een tijd van binnenlandse beroering, waarin de nationalisten en de communisten elkaar voortdurend bestreden. Ten slotte omsingelden de nationalisten de communistische basis in de “Jiangxi-Sovjet”. In een gewaagde uitbraakpoging begonnen de communisten aan een gedwongen strategische terugtocht, die van 1934 tot 1936 duurde en die bekendstaat als de epische “Lange Mars”. Achtervolgd door de nationalisten legden de communisten door moerassen en bergachtig gebied 25.000 li (een li is een halve kilometer) af naar Yan’an.

In 1931 lanceerde het Japanse keizerlijke leger een grootscheepse invasie in het noordoosten van China. In 1937 begonnen de Japanners aan een algehele invasie en breidde de oorlog zich tot het hele land uit. Geconfronteerd met de Japanse aanval vormden de nationalisten en de communisten opnieuw een eenheidsfront tegen een gemeenschappelijke vijand. Na de Japanse nederlaag in de Tweede Wereldoorlog brak tussen nationalisten en communisten een burgeroorlog uit. In 1949 werden de nationalisten verslagen en trokken zich van het vasteland terug naar Taiwan.