Natuurverering en voorouderverering

Van oudsher is China een multi-etnisch land, met een veelheid aan religies. Archeologische vondsten van 50.000 tot 100.000 jaar geleden duiden erop dat de voorouders van de Chinezen zich in die tijd voor het eerst bewust werden van religie. Op de site van de “Hilltop Caveman” (shïnding dòngrén ????), in een berggrot bij Zhoukoudian (zhoukoudiàn ???), aan de rand van Beijing, werden lichamen ontdekt die met hun hoofd in één richting begraven waren. In de graven werden ook spindels, pijlpunten en kunstig gemaakte versieringen aangetroffen. Om de lichamen heen is hematietpoeder gestrooid, dat in dat gebied niet voorkomt en waarvan de dichtstbijzijnde bron op een paar honderd kilometer afstand ligt. Uit de archeologische aanwijzingen blijkt dat de grotbewoners veel belang aan begrafenissen hechtten, en archeologen maken hieruit op dat de grotbewoners in het idee van een hiernamaals geloofden, met andere woorden, in het idee van een ziel. Dit is het eerste bewijs van een religieus geloof dat in China gevonden is.

De vroege samenleving was een landbouwcultuur, en er werd veel belang gehecht aan de agrarische productie en de veeteelt. Aangezien landbouwculturen sterk onderhevig zijn aan veranderingen in de natuur, baden die vroege mensen tot de natuur en vereerden die.

In deze natuurverering stond de “Hemel” (tiïn ?) boven de “Aarde” (dì?), en werden ook bergen en rivieren, wind, regen en onweer, en alle natuurverschijnselen die een direct verband hadden met de landbouwproductie, vereerd. De verering strekte zich ook uit tot allerlei natuurlijke verschijnselen en objecten. Bij archeologische opgravingen van de afgelopen jaren zijn tal van voorwerpen gevonden die met de heerser van de Hemel beschilderd zijn. In de resten van oude boeken is vaak het woord “Hemel” aangetroffen als woord dat voor “heerser” staat, wat op de verbreiding van de natuurverering wijst. De heldhaftige daden van oude historische figuren, die vaak gevechten met natuurrampen betroffen, brachten mensen ertoe hun voorouders te vereren, in de hoop van hen bescherming te krijgen. Natuur- en voorouderverering werden voor de eerste Chinezen een primitieve vorm van religiositeit.

Tijdens de Shang-dynastie, van 1384 tot 1111 v.Chr., bereikte de voorouderverering een hoogtepunt. De ontdekking van uitgebreide inscripties op beenderen of schildpadschilden (jiagu wén ???) uit de Shang-dynastie bewijst dit. De Shang-samenleving was erg bijgelovig en vroeg de goden vaak om advies over allerhande zaken, van herdenkingsceremoniën tot aan oorlogen en ziekten; de Shang smeekten de goden hun leiding te geven bij hun handelen. Tot aan de Zhou-dynastie, die regeerde van 1027 tot 777 v.Chr., stonden zulke orakelrituelen onder streng toezicht van de staat. De timing, stijl en schaal van orakelrituelen lagen allemaal vast. De belangrijkste van deze rituelen werden voorgezeten door de keizer, en lagere ambtenaren konden alleen minder belangrijke rituelen leiden.

Oude Chinese religieuze gebruiken, zoals de verering van Hemel en Aarde en de voorouders zijn tot de dag van vandaag blijven bestaan, en hebben het confucianisme en alle andere Chinese religies beïnvloed.