Qing (1616-1911)

De Qing-dynastie beleefde het hoogtepunt van haar macht onder drie uitzonderlijke keizers: Kangxi, Yongzheng en Qianlong. Onder hun heerschappij boekte China grote vooruitgang in de literatuur en de militaire technologie. Omdat de Qing-heersers geen etnische Han-Chinezen waren, trokken ze de teugels strak aan om hun greep op het rijk te behouden. Maar om het effectief te kunnen besturen moesten ze wel nauw met Han-Chinese geleerden samenwerken en binnen het kader van de confuciaanse bureaucratie opereren. De Qing-heersers breidden de grenzen van hun rijk uit en consolideerden de grenzen van wat het moderne China zou worden.

Niettemin begon er onder het glanzend oppervlak een proces van corrosie dat de structuur van het rijk zou verwoesten. Overbevolking en wijdverbreide corruptie leidden tot instabiliteit. De bevolkingsdruk en de economische problemen brachten velen tot armoede. Het gebrek aan toekomstperspectieven leidde tot opstanden.

Daarnaast kwam China, in een tijd waarin de Qing-dynastie toch al op haar retour was, onder druk te staan van de westerse mogendheden. In de 19e eeuw begon Groot-Brittannië opium naar China te exporteren om het tekort op de handelsbalans te verkleinen dat het gevolg was van de Britse vraag naar thee, zijde en porselein. Naarmate het land aan opium verslaafd raakte, verdween China’s rijkdom. In 1840 leidden de beperkingen die de Qing-regering aan de opiumhandel stelde, tot de eerste Opiumoorlog. Zo werd China gedwongen de moderne tijd onder ogen te zien.