Tang (618-907)

De Tang-dynastie was een van China’s welvarendste en cultureel rijkste perioden. Onder de heerschappij van de tweede Tang-keizer, Taizong, bloeide de economie en maakte het keizerrijk een tijdperk van stabiliteit door. Bovendien werd hij vanwege zijn open stijl van besturen als een verlicht heerser beschouwd.

Niet lang na keizer Taizong werd Wu Zetian de enige keizerin in de geschiedenis van China. Ze is de geschiedenis ingegaan als een wrede maar bekwame heerseres, die begaafde mensen naar haar hof haalde.

Onder de regering van keizer Xuanzong bereikte de Tang-dynastie haar hoogtepunt. Zijn heerschappij luidde een lange periode van expansie, welvaart en stabiliteit in, maar in zijn latere jaren raakte de dynastie in verval, en het duurde niet lang of regionale militaire aanvoerders grepen de kans aan om in opstand te komen. Het grootste gevaar dat de dynastie bedreigde was de desastreuze opstand van An Lushan, een etnische Sogdiër, die de geadopteerde zoon was van Xuanzongs favoriete concubine Yang Guifei.

Veel van ‘s keizers naaste adviseurs gaven Yang Guifei, die de bijnaam “de dikke concubine” had, de schuld van het in verval raken van het rijk. De keizer was zo in de ban van haar charmes dat hij de staatszaken verwaarloosde en in plaats daarvan zijn tijd besteedde aan pleziertjes met zijn geliefde. Yang Guifei, die uit een arme familie kwam, maakte daarvan gebruik om zichzelf en haar familie te verrijken. Ten slotte dwongen de ambtenaren van de keizer hem haar te bevelen zelfmoord te plegen terwijl hij op de vlucht was voor An Lushan. Na deze gebeurtenis raakte Xuanzong in een diepe depressie en deed afstand van de troon. De Tang-dichter Bai Juyi heeft dit noodlottige liefdesverhaal vereeuwigd in zijn gedicht Lied van het eeuwig verdriet (chánghèn’gê ???).

Onder de Tang kwam het keizerlijk examensysteem tot grote bloei. Hoewel in theorie iedereen, zelfs een arme boer, aan de examens kon deelnemen, konden in de praktijk alleen diegenen die rijk genoeg waren om zich de jaren van studie te veroorloven, het zeer competitieve systeem doorlopen. Ook de dichtkunst bereikte in deze periode opmerkelijke hoogten. Veel van China’s meest begaafde dichters, zoals Li Bai (Li Po), Du Fu (Tu Fu) en Bai Juyi, stammen uit deze tijd.

Het China van de Tang-dynastie was de grootste mogendheid in Azië, die zich tot in Centraal-Azië uitstrekte en waarvan de culturele invloed een sleutelrol speelde in de ontwikkeling van Korea en Japan. Talrijke gezanten en geleerden uit vreemde landen legden regelmatige bezoeken aan het land af. Met verschillende etnische groepen die aan de periferie van China woonden vonden frequente culturele contacten plaats, hetgeen de Tang-dynastie tot de meest kosmopolitische en minst isolationistische dynastie in de Chinese geschiedenis maakte.

Tot de uitvoerproducten van China naar Korea en Japan tijdens de Tang behoren de wetgeving en de Chinese karakters. Duizenden studenten uit beide landen kwamen naar China om er te studeren, en Chinese leraren reisden naar het buitenland om er hun wijsheid te verbreiden. Het boeddhisme bleef zich in China verspreiden en sinificeerde, wat tot de populariteit ervan nog verhoogde. Een eclectische verzameling religies – zoroastrianisme, nestoriaans christendom, manicheïsme, jodendom en islam – kwam China binnen. Langs de Zijderoute vond uitwisseling van technologie plaats. Arabische handelaren verspreidden de techniek om papier te vervaardigen. Tijdens de Tang-dynastie werd de blokdruk of xylografie uitgevonden; het eerste boek dat met gebruikmaking van deze techniek gedrukt werd, was de Diamantsoetra (jîngïngjîng ???), die in 868 gedrukt werd. Tegen het eind van de Tang-tijd werden in gevechten vuurwapens gebruikt.

Terwijl de Tang-dynastie zich te weer moest stellen tegen de opstand van An Lushan, die meer dan acht jaar duurde, kregen militaire bevelhebbers een grotere macht toebedeeld om met de rebellen af te rekenen, maar zij gebruikten die tot meerdere glorie van zichzelf en begonnen hun eigen koninkrijkjes te stichten. In 907 werd de Tang-dynastie omvergeworpen, en de dynastieke cyclus begon van voren af aan. De periode volgend op de val van de Tang was er een van destructie en beroering. Het was tijdens deze periode van ontreddering dat China’s economische centrum zich van het hart van China in het dal van de Gele Rivier in het noorden naar het zuiden verplaatste. De economische trek naar het zuiden, in combinatie met frequente invallen vanuit het noorden, zouden een culturele en psychologische kloof in de Chinese psyche scheppen die langs de Yangtze loopt.