Zhou (11e eeuw – 256 v.Chr.)

Koning Zhou (zhòuwáng ??), de laatste koning van de Shang-dynastie, was een tirannieke despoot en werd afgezet door de Zhou (geen familie), een stam uit het westen. De Zhou-dynastie zou de langstheersende dynastie in de Chinese geschiedenis worden, die meer dan 770 jaar zou duren. Aanvankelijk vestigde de Zhou-dynastie haar hoofdstad in Xi’an, in de provincie Shaanxi, maar later werd de hoofdstad naar het oosten toe verplaatst, naar Luoyang in de provincie Henan. Vanwege deze verhuizing verdelen historici de Zhou-dynastie in Westelijke Zhou en Oostelijke Zhou.

De koning van de Westelijke Zhou verdeelde zijn landerijen als leengoederen onder de edelen van zijn clan, en dezen stichtten vervolgens vazalstaten rondom de hoofdstad van Zhou, die de heerser in het midden beschermden. De Zhou-heersers schiepen een ingewikkeld systeem van ceremoniële riten, waarin elke rite begeleid werd door muziek en dans. Deze riten benadrukten de overmacht en het recht op de heerschappij van de Zhou en werden door hen gebruikt om hun onderdanen onder de duim te houden. Door de rituelen uit te voeren geloofden de Zhou dat ze het “Hemels Mandaat” in stand hielden. Zolang de heersende elite dit mandaat behield, bleef hun heerschappij door de hemel gegeven.

Tijdens de regering van koning Ping werd de hoofdstad naar Luoyang verplaatst om aan de dreiging van de Quanrong te ontsnappen, een stam uit het westen. Dit vormde het begin van de Oostelijke Zhou-dynastie. De Oostelijke Zhou worden verder onderverdeeld in twee periodes, de Lente en Herfst-periode en de Periode van de Strijdende Staten.

Naarmate machtige edelen om de macht begonnen te strijden en slechts in naam eer aan de koning bewezen, brokkelde de heer-schappij van de Zhou-koningen langzaam af. Uiteindelijk strekte hun macht zich alleen nog uit tot hun gebieden in de directe omgeving van Luoyang. De invloedrijkste Zhou-hertogen werden zo machtig dat ze “de Vijf Hegemonen van de Lente en Herfstperiode” werden genoemd.

In een toestand van voortdurende oorlog en expansie veranderde het maatschappelijke systeem van de Oostelijke Zhou ingrijpend. Nieuwe technologieën deden hun invloed gelden – de ontwikkeling van ijzeren werktuigen, die in de plaats van stenen werktuigen kwamen, tezamen met het gebruik van paarden- en ossenkracht leidde tot een aanzienlijk hogere landbouwproductie. Met de uitbreiding van de landbouw nam ook de handel toe en verschenen de eerste kooplui en handelaren ten tonele.

Ook raakten de sociale klassen duidelijker afgebakend in vier groepen – de geleerden (shì ?), de boeren (nóng ?), de handwerkers (gong ?) en de kooplui (shïng ?). Het maatschappelijk systeem ontgroeide de simplistische structuur die de riten van de Westelijke Zhou eraan hadden opgelegd. Er ontstond een grote behoefte aan geschreven wetboeken.

Dit was het moment waarop Confucius voor het voetlicht trad, China’s invloedrijkste leraar en filosoof die leefde van 551 tot 479 v.Chr., tijdens een van China’s roerigste perioden. Dit was een overgangstijd, een periode tussen dynastieën in waarin plaatselijke krijgsheren om de macht vochten – een steeds terugkerend thema in de Chinese geschiedenis. Confucius’ theorieën en leer zouden uiteindelijk simpelweg bekend worden als het confucianisme (rú jiï ??). De kern van zijn geloof wordt gevormd door het begrip ren (rén ?), dat bij benadering kan worden vertaald als medemenselijkheid, compassie of goedheid, iets waar hij in de maatschappij te weinig van bespeurde. Confucius reisde veel, in de hoop plaatselijke leiders te kunnen beïnvloeden. Op zijn reizen verzamelde hij een groot gevolg van leerlingen die zijn leer na zijn dood bleven verbreiden en daarmee de grondslag legden voor de confuciaanse denkrichting, die tot op de dag van vandaag invloed heeft in Azië.

Toen de Zhou-dynastie alleen nog maar in naam bestond, werd de strijd om de macht tussen haar potentiële opvolgers steeds heviger. De machtigste van deze elkaar bestrijdende vazalstaten staan bekend als de “Zeven Hegemonen van de Periode van de Strijdende Staten”. Elk van deze staten probeerde ieder voordeel uit te buiten dat zij tegenover hun rivalen konden gebruiken – dit was een woelige tijd, vol hervormingen en krijgslisten. Het was de staat Qin die de meest succesvolle hervormingen doorvoerde en zich politiek, economisch en technologisch aan de veranderende tijden aanpaste.

Onder de Zhou voerde de regerende elite de alleenheerschappij en kon bepalen wat cultuur was. Door de beroeringen van de Periode van de Strijdende Staten trad er een nieuwe geleerdenklasse (shì rén ??) op de culturele voorgrond. Deze geleerden vormden verschillende denkrichtingen, die ieder hun diensten als adviseurs aanboden in de hoop meer invloed te krijgen. Hieruit ontwikkelden zich de “Honderd Denkscholen”, die de ontwikkeling van systematische studie bevorderden.