De periode na de Tweede Wereldoorlog

Op de ochtend van 4 juli 1946 werd te Luneta, op de plaats waar Rizal een halve eeuw tevoren was doodgeschoten door een Spaans vuurpeloton, onder grote publieke belangstelling de Amerikaanse vlag gestreken en de Filippijnse vlag gehesen. De onafhankelijkheid was nu eindelijk een feit. De eerste president van de nieuwe republiek was Manuel Roxas. De Amerikanen behielden zowel op economisch als op militair gebied een grote invloed in de archipel. Als gevolg van de Bell Act van 1946 werd de uitvoer van Filippijnse producten naar de Verenigde Staten aan beperkingen onderworpen terwijl de Amerikanen onbelemmerd konden blijven exporteren naar de Filippijnen. Doordat er geen landhervormingen van betekenis werden doorgevoerd en de situatie voor de arme plattelandsbevolking niet verbeterde kwam de Huk-beweging opnieuw in verzet. Vooral tijdens de ambtstermijn van Roxas' opvolger Elpidio Quirino (1948-'53) namen de guerrilla-activiteiten van de Huks sterk toe. De minister van Defensie Ramon Magsaysay slaagde erin de Huk-beweging de wind uit de zeilen te nemen enerzijds door verhoogde militaire inzet en anderzijds door het propageren van een sociaal hervormingsprogramma. Zijn succes en populariteit bezorgden hem bij de verkiezingen in 1953 het presidentschap. Zijn hervormingsprojecten stuitten echter op verzet van de invloedrijke grootgrondbezitters. Op 17 maart 1957 kwam president Magsaysay om het leven bij een vliegtuigongeluk op Cebu. Hij werd opgevolgd door respectievelijk de presidenten Carlos Garcia (1957-'61), Diosdado Macapagal (1961-65) en Ferdinand Marcos (1965-'86).

Tijdens het begin van het Marcosbewind werd een grootscheeps programma opgezet ter ontwikkeling van het platteland maar niettemin kwam er geen verbetering in de positie van de grote massa. In 1969 werd door communistische verzetsstrijders het Nieuwe Volksleger (New People's Army) opgericht, min of meer een voortzetting van de voormalige Huk-beweging. Opstandige moslims in het zuiden van de Filippijnen verenigden zich in het Moro National Liberation Front, een afscheidingsbeweging die de vorming van een autonome islamitische staat nastreeft. Op 21 september 1972 kondigde president Marcos de staat van beleg (Martial Law) af, officieel naar aanleiding van de hoge criminaliteit in het land en de dreiging van een communistische staatsgreep. Tevens lanceerde Marcos het concept van een 'Nieuwe Maatschappij' (Bagong Lipunan). Een positief resultaat was dat de criminaliteit sterk daalde nadat honderdduizenden wapens in beslag waren genomen door de regering. De aangekondigde landhervorming werd echter slechts ten dele gerealiseerd en als gevolg daarvan kwam er geen einde aan de sociale onrust. De staat van beleg stelde Marcos in staat als een dictator per decreet te regeren. Talloze politieke tegenstanders werden tijdens zijn bewind geïntimideerd, gevangen gezet, vermoord of verdwenen gewoonweg. Op 21 augustus 1983 werd de populaire politicus Benigno Aquino vermoord op het vliegveld van Manila nadat hij terugkeerde van zijn ballingschap in de Verenigde Staten. Deze gebeurtenis vestigde niet alleen internationaal de aandacht op de Filippijnen maar droeg er ook sterk toe bij dat er tweeënhalf jaar later een eind kwam aan het bewind van Marcos. Honderdduizenden mensen gingen de straat op om te protesteren.

Corazon ('Cory') Aquino, weduwe van de vermoorde Benigno Aquino, deed haar intrede in de politiek en slaagde erin de verdeelde legale oppositiegroeperingen te verenigen tot een gezamenlijk front tegen Marcos. Na de verkiezingen op 25 februari 1986 werd zowel door Marcos als door Cory Aquino de overwinning opgeëist. Door aanhangers van Marcos was er op grote schaal fraude gepleegd bij de verkiezingen. Onder druk van het massale volksverzet ('people power') en doordat zowel defensieminister Juan Ponce Enrile als legerbevelhebber generaal Fidel Ramos met een deel van de strijdkrachten de zijde kozen van Aquino zag Marcos zich genoodzaakt nog dezelfde dag met zijn vertrouwelingen het land te ontvluchten. De unieke omwenteling waarbij honderdduizenden onbewapende burgers in staat bleken de militairen in hun tanks tegen te houden kan niet beschouwd worden als een echte revolutie. In de machtsstructuren en de bevoorrechte situatie van de rijke elite is tijdens de regeerperiode van Aquino nauwelijks verandering opgetreden. Radicale maatregelen ten gunste van de arme meerderheid van de bevolking (circa 70 % leeft onder de armoedegrens) bleven uit en landhervormingsvoorstellen werden opnieuw getorpedeerd door de machtige grootgrondbezitters. Van rechter zijde vonden er enkele (mislukte) pogingen tot staatsgreep plaats en daarnaast had Aquino te kampen met de nog steeds actieve linkse verzetsbewegingen.

Tijdens de presidentsverkiezingen in 1992 kwam de door Aquino gesteunde kandidaat Fidel Ramos als winnaar uit de bus, overigens met een krappe meerderheid. Tot de doelstellingen van Ramos behoorden onder andere bestrijding van de corruptie, herstel van politieke stabiliteit en vermindering van de omvangrijke werkloosheid. Door het aantrekken van meer buitenlandse investeerders en vooral ook door verbeteringen in de infrastructuur en de elektriciteitsvoorziening was er tijdens Ramos' regeerperiode aanvankelijk sprake van een opvallende economische groei. De bestrijding van de criminaliteit verliep minder succesvol. Een belangrijk probleem tijdens de jaren negentig vormden onder meer de talloze gijzelingen voor losgeld. Vooral leden van de welgestelde Chinese elite in de Filippijnen waren daarbij het doelwit. De financiële crisis in Zuidoost-Azie in 1997 had ook een negatief effect op de Filippijnse economie, maar de gevolgen waren minder dramatisch dan bij sommige andere landen in de regio als Indonesië en Thailand.

In 1998 was de termijn van zes jaar presidentschap van Ramos verstreken en op 11 mei van dat jaar gingen circa 27 miljoen mensen naar de stembus. Zoals gebruikelijk in de archipel verliepen de verkiezingen niet geheel zonder geweld, maar niettemin werden ze als relatief 'rustig' beschouwd (er werden althans minder mensen gedood dan tijdens de presidentsverkiezingen in 1992 en de senaatsverkiezingen in 1995). De race om het presidentschap werd met ruime meerderheid gewonnen door de vooral bij het 'gewone volk' populaire Joseph Estrada. Hij kreeg circa 40 % van de stemmen en versloeg daarmee ruimschoots zijn rivaal Joe de Venecia die tweede werd met circa 16 % van de stemmen. Met meer dan 12 miljoen stemmen werd Gloria Macapagal-Arroyo (dochter van de voormalige president Diosdado Macapagal) gekozen tot vice-president. De populariteit van Estrada was vooral een gevolg van de bekendheid die hij op de Filippijnen had verworven door zijn filmcarriere. Als gevolg van dubieuze financiële transacties en affaires met minnaressen raakte Estrada geleidelijk echter steeds meer in diskrediet, wat er uiteindelijk toe leidde dat hij uit zijn ambt werd gezet. Op 20 januari 2001 werd Gloria Macapagal-Arroyo beëdigd als 14e president van de Filippijnen, nadat het hoogste gerechtshof de positie van president 'vacant' had verklaard. Tijdens de verkiezingen van 10 mei 2004 kreeg Gloria Macapagal-Arroyo 40 % van de stemmen, tegenover 37 % voor concurrent Fernando Poe. Met deze nipte overwinning behield Gloria toen haar presidentsschap.

De huidige president van de Filippijnen is Benigno Aquino III, zoon van de in 1983 tijdens het Marcos-regime vermoorde politicus Benigno Aquino jr. en de in 2009 overleden voormalige president Corazon Aquino. Zijn ambtstermijn begon op 30 juni 2010.

Gerelateerde onderwerpen