Traditionele verhalen

Ninkee Nankaa
Ninkee Nankaa

Het wreedste dier (vrij naar een traditionele Gambiaanse vertelling)

Kadiri sjokte door de jungle. Hij was op weg naar huis. In een naburig dorp had hij de geitenmarkt bezocht, maar hij was er niet in geslaagd een geschikt exemplaar te vinden. Hij mopperde wat in zichzelf, want het was natuurlijk een belachelijk idee geweest van Tinte, een van zijn vrouwen, om een geit te willen hebben zo kort na Tobaski.

Alle geiten waren ter gelegenheid van het offerandefeest voor veel geld verkocht en allang geslacht en opgegeten. Plotseling spitste hij zijn oren. Het leek wel of er iemand om hulp riep. Hij luisterde nog eens goed en jawel: ‘Help, help’, hij hoorde het duidelijk. Kadiri baande zich een weg door de dichte begroeiing en kwam bij een kreek. Hij kon nu duidelijk horen dat er iemand in nood was: ‘Help, haal me eruit…’.

Hij tuurde en tuurde, maar kon niets bijzonders ontdekken. ‘Ik mag wel uitkijken’, dacht hij bij zichzelf, ‘daar beneden ligt een levensgrote krokodil, ik kan niet verder het moeras in’.

De bek van de krokodil ging open en Kadiri wilde net maken dat hij wegkwam, toen hij de krokodil luid en duidelijk om hulp hoorde roepen. Dat had hij nog nooit meegemaakt, een krokodil die praten kon. Maar goed, hij stond hier nu toch en hij hoorde met z’n eigen oren dat de krokodil zei: ‘Haal me hieruit. Ik zit met m’n achterpoot in een val en de jagers kunnen elk ogenblik terugkomen. O, ik moet er niet aan denken om voortaan als damestas of schoen door het leven te moeten. Ik was op zoek naar voedsel voor vrouw en kinderen en toen overkwam me dit. Alsjeblieft, bevrijd me uit die ellendige val.’

Kadiri dacht na. ‘Welke garantie kun je me geven dat je me, zodra ik je bevrijd heb, niet meteen in stukken bijt?’ vroeg hij de aan krokodil. ‘Ik geef je mijn erewoord als krokodil’, snotterde de gevangene, ‘maar alsjeblieft help me én een beetje vlug, vóórdat de jagers weer komen’. De krokodil huilde dikke tranen.

Kadiri kreeg medelijden en zei: ‘Oké, ik zal je eruit halen.’ Hij liep het water in en maakte de val open, een karwei van niets voor iemand die z’n leven lang al gejaagd had. De krokodil haalde opgelucht adem en bedankte Kadiri hartelijk.

Toen ze daar zo bij elkaar stonden, klaar om ieder huns weegs te gaan, draaide de krokodil zich onverwacht om en zei: ‘nu ik er nog eens goed over nadenk, ben ik eigenlijk wel gek als ik je laat gaan. Door die narigheid met die val heb ik al veel tijd verspeeld, dus waarom zou ik nog verder naar voedsel zoeken als ik hier een appetijtelijke hap vlak voor me heb staan? M’n vrouw zal me tóch wel de huid vol schelden nu ik zo lang ben weggebleven.’

Hij maakte aanstalten om Kadiri in stukken te bijten. ‘Heb medelijden’, kermde deze ‘en bedenk dat je me je erewoord gaf’. ‘Da’s waar’, zei de krokodil, ‘maar dat is nog geen reden om me aan die belofte te houden. Voordat er in dit gebied mensen kwamen hadden we het goed. Nu moeten we voortdurend op onze hoede zijn, anders zien we ons huis en onze familie nooit meer terug. Kijk maar eens naar wat me net overkwam. Nee, wij dieren moeten er met elkaar voor zorgen dat de mensen weer uit dit gebied verdwijnen. Ik bijt je dus in stukken en deel je met vrouw en kinderen.’

‘Ik ben niet zoals de andere mensen’, kreunde Kadiri, ‘ik heb je toch uit de val bevrijd? Nu moet je mij óók een kans geven! Denk eens aan mijn vier vrouwen en zestien kinderen. Wie moet er voor hén zorgen?’

De krokodil dacht diep na. ‘Je hebt gelijk’, zei hij ten slotte. ‘Weet je wat we doen? We gaan samen op pad en we leggen de eerste vijf levende wezens die we tegenkomen het probleem voor. Als er één bij is die vindt dat ik je niet op moet eten, gaan we als vrienden uit elkaar.’

Natuurlijk ging Kadiri akkoord met dit voorstel. Ieder nuchter denkend wezen zou hem immers in het gelijk stellen? Zo gingen ze op pad en na korte tijd kwamen ze een ezel tegen.

‘Beste ezel’, zei Kadiri, ‘we hebben je advies nodig’. De ezel keek vreemd op. Het was hem nog nooit eerder gebeurd dat een mens hem ‘beste ezel’ noemde en hem bovendien nog om raad vroeg. De krokodil zag de aarzeling bij de ezel en legde hem uit wat er aan de hand was. De ezel luisterde aandachtig, maar had, toen het verhaal afgelopen was, geen moment nodig om na te denken. ‘Opeten’, was zijn korte commentaar. ‘Ik moet de eerste betrouwbare mens nog tegenkomen. Kijk nu eens naar mij. De hele dag word ik afgebeuld, terwijl er een man achter me op de kar zit. Hij doet niets en vindt dat ik te weinig doe, terwijl ik hem én de kar naar het land of naar huis trek. Nee, ik zou zo’n kans niet laten lopen.’ Hij sjokte verder.

Kadiri was verbijsterd. Hoe kon zo’n stomme ezel nu de krokodil in het gelijk stellen? Hij glimlachte in zichzelf: ‘stomme ezel, dat is de oplossing.’ Verderop in het land ontdekten ze een baobab, een heilig gewas, waaronder de medicijnman zijn rituele handelingen verrichtte. Ze liepen erheen en bogen eerbiedig voor de boom. Kadiri legde de boom het probleem voor.

De boom schudde driftig met zijn takken en zei: ‘Wie ben ik dat ik raad zou geven? Dat is aan de medicijnman! Nou ja, ik heb in de loop van de eeuwen natuurlijk enige kennis opgedaan en ik begrijp dat je niet naar de medicijnman kunt om hém om raad te vragen. Als je er prijs op stelt zal ik mijn ervaring aan jullie ten dienste stellen. De natuur mag je niet tegenwerken. Dat betekent dat de man de krokodil nooit uit de val had mogen bevrijden. Nu dat wél gebeurd is, is het volkomen natuurlijk dat de man als voedsel dient voor de krokodillenfamilie.’

‘Dit kan niet waar zijn’, dacht Kadiri, ‘de krokodil wordt steeds in het gelijk gesteld. Gelukkig heb ik nog drie kansen.’ Ze liepen verder, nadat ze de boom bedankt hadden voor zijn raad. De dank van de krokodil was duidelijk groter, maar Kadiri durfde niet zonder te bedanken zijn weg te vervolgen, uit angst dat de boom het verhaal aan de medicijnman zou vertellen.

Het volgende levende wezen was opnieuw een boom, ditmaal een mahonieboom. ‘Goede boom’, zei de krokodil, ‘wat zou jij doen in ons geval’, en vertelde hem het verhaal. De mahonieboom, nog lang niet zo oud als zijn heilige collega, nam er de tijd voor. Ten slotte zei hij: ‘Beste krokodil, je zou het eerste schepsel zijn dat de mens vertrouwde. Een voorbeeld, neem nu de enige zekerheid die de mahonieboom heeft. Regelmatig wordt hij door de mens mishandeld omdat z’n bladeren als voedsel en medicijn gebruikt worden. Z’n takken dienen als voedsel voor het vuur dat de mens stookt om eten te bereiden. Als dank voor de bewezen diensten wordt hij, als hij groot genoeg is, omgehakt om als materiaal voor meubels gebruikt te worden. Van zijn restanten wordt houtskool gemaakt. Nee, ik zou het wel weten als ik mij in uw situatie bevond. Mijn wraak op de mens zou zoet zijn.’

De krokodil bedankte de mahonieboom uitbundig, Kadiri sjokte, zonder een woord te zeggen verder. ‘Gelukkig heb ik nog twee kansen’, dacht hij, maar hij voelde zich niet zo zeker meer van zijn zaak als voorheen.

Op een afgebrand stuk land zagen zij een os, moe van de dagelijkse arbeid, die probeerde om tussen de rietstoppels nog iets eetbaars te vinden. De krokodil vertelde hem het verhaal. Zonder op te kijken zei de os: ‘Ik begrijp niet dat je die man nog niet hebt opgegeten. Kijk mij nou! De hele dag sloof ik me uit op het rijstveld en als dank word ik op dít stuk land gezet om wat te eten. Een afgebrand stuk land, omdat de mens vindt dat as een goede bemesting vormt. Als ze mij meer te eten zouden geven zou ik dat karwei veel beter klaren. Nu ben ik de hele nacht bezig om mijn kostje bij elkaar te scharrelen, want morgen moet ik weer gewoon werken. Van slapen komt niets deze nacht. Je hebt dus een luxeprobleem, jouw hap loopt gewillig met je mee. Kijk maar uit! En laat me nu met rust, anders krijg ik niet voldoende te eten.’

Kadiri raakte nu toch wel een beetje in paniek. Hij had nog slechts één mogelijkheid om aan de kaken van de krokodil te ontkomen. Daar ontmoetten ze een konijn. Kadari dacht dat het verstandig zou zijn om nu zélf het verhaal maar weer eens te vertellen. Hij legde het probleem aan het konijn voor. Die dacht vooral aan al die lekkere hapjes die hij straffeloos van het land van de mensen kon stelen als hij honger had. Aan de andere kant was hij bang dat de krokodil hém op zou eten als hij de man gelijk gaf. Hij besloot tijd te rekken.

‘Tja, daar vraag je me iets. Om een goed beeld te krijgen zou ik eigenlijk de situatie zoals die oorspronkelijk was, moeten kennen. Gebeurde het hier ver vandaan?’

Kadiri putte hoop uit de twijfelachtigheid van het konijn. ‘Laten we naar de plaats gaan waar het allemaal begon, zodat je je een goed beeld kunt vormen’, stelde hij voor. De krokodil had geen bezwaar en zo wandelden ze terug naar de plaats waar Kadiri de krokodil bevrijd had. Het konijn nam de situatie goed in zich op, krabde zich achter zijn oor en zei tegen de krokodil: ‘hoe zat jij nu eigenlijk in die val?’ De krokodil wandelde naar de val en stak zijn rechter achterpoot erin, waardoor de val onmiddellijk dichtklapte.

Kadiri zei tegen het konijn dat hij de wacht moest houden bij de val en maakte dat hij weg kwam. De krokodil brulde hem nog na dat dat niet volgens de afspraak was, maar Kadiri trok zich daar niets van aan. Zo snel hij kon draafde hij naar zijn dorp en zei tegen de jagers dat er een grote krokodil in hun val zat. De jagers haastten zich naar het moeras en kwamen weldra terug met de krokodil. Bovendien droegen ze een konijn over hun schouder.

Kadiri kreeg het konijn als dank voor bewezen diensten. Op een houtskoolvuurtje werd het konijn geroosterd en samen met vrienden werd nog lang nagepraat over het wonderlijke avontuur dat Kadiri overleefd had.

De afgunstige dorpelingen (vrij naar een traditioneel verhaal)

Er was eens een jongen die met z’n ouders in een klein dorp leefde. Hij leerde hoe hij met het vee moest omgaan, hoe hij het land moest bewerken, hoe hij moest vissen, welke de beste bomen waren om kano’s van te maken, kortom, hij leerde alles wat hem later tot een flinke boer zou maken.

Het gezin werkte hard en de veestapel werd groter en groter, de opbrengst van het land werd meer en meer, want ze haalden op tijd het olifantsgras tussen het gewas weg en buiten de regentijd gingen ze zelfs naar de put om water te halen voor de gewassen in hun moes-tuin. Zo hoefden ze nooit eten te kopen en hielden ze zelfs producten over die ze konden verkopen.

Dankzij hun harde werken ging het hen voor de wind en werden ze de rijkste inwoners van het dorp. De dorpelingen zagen met lede ogen aan dat het gezin steeds maar welvarender werd. Ze staken de koppen bij elkaar en verzonnen een list.

Op een dag overleed de moeder aan een geheimzinnige ziekte. De vader en de jongen kregen het nu nog veel drukker, want ook moeder was gewend om de handen uit de mouwen te steken. Ze deed heel wat meer dan de gemiddelde Gambiaanse vrouw.

Op een dag nam de vader zijn zoon mee naar een eeuwenoude mahonieboom. De vader vertelde de jongen dat die boom ooit door een verre voorvader daar geplant was en dat de geesten van hun overleden voorouders in die boom woonden. Ze slachtten een schaap en offerden dat aan hun voorouders, als dank voor het feit dat het hen zo goed ging. De vader zei tegen de jongen: ‘Als je ooit in nood zit, ga dan naar deze plaats, buig je diep in het stof en spreek tot de boom: “Oh, machtige beschermer van mijn familie, help me bij de bestrijding van dit kwade volk”.’

Niet veel later overleed de vader aan een geheimzinnige ziekte en de jongen bleef alleen achter. Gelukkig had hij alles goed geleerd, maar hij zag natuurlijk geen kans om al het werk dat voorheen door zijn ouders én hemzelf gedaan werd, helemaal alleen te doen. Tevergeefs klopte hij bij zijn dorpsgenoten aan. Ze vonden dat hij z’n verdiende loon gekregen had. Na al die weelde waarin hij altijd geleefd had, moest hij nu maar eens leren leven zoals alle andere dorpelingen dat deden. Maar de jongen had het werken van huis uit meegekregen en hij hield ervan om hard te werken, dus probeerde hij er het beste van te maken.

Toen de dorpelingen zagen dat de jongen op de oude voet verder ging, besloten ze hem te verbannen. Met z’n allen joegen ze hem het dorp uit. Al zijn bezittingen moest hij achterlaten, hij mocht alleen zoveel vee meenemen als een jongen van zijn leeftijd kon weiden. Dat waren maar een paar koeien, een paar schapen en een paar geiten.

Diepbedroefd liep de jongen door de velden, tot hij bij de mahonieboom kwam waar z’n ouders nu óók in woonden. Hij boog zich diep in het stof en zei: ‘Oh, machtige beschermer van mijn familie, help me bij de bestrijding van dit kwade volk’. Er kwam een geweldig geritsel uit het bladerdak en een stem zei hem dat hij de hoorns van zijn vee scherp moest maken.

Toen hij bekomen was van de schrik en om zich heen keek, was er niets wat aan het voorval herinnerde. De boom stond rustig op de plaats waar hij al honderden jaren stond, de vogels vlogen wat rond zijn takken en de bladeren ruisten zachtjes in de wind.

De jongen was er vást van overtuigd dat de boom hem een opdracht gegeven had en met zijn mes maakte hij scherpe punten aan de hoorns van het vee. Afwachtend ging hij onder de boom zitten. Er gebeurde niets en de jongen besloot verder te trekken. Het vee wilde echter niet mee, integendeel. Ze keerden zich om en liepen in de richting van het dorp. Hoe dichter ze bij het dorp kwamen, des te harder gingen ze lopen en de jongen zag geen kans om ze tegen te houden. Hij sloeg zijn handen voor de ogen. Het vee daverde het dorp binnen en met hun scherpe hoorns verwoestten ze alles wat er op hun pad kwam. De dorpelingen wisten niet wat er gebeurde en probeerden te redden wat er te redden viel. Dat was niet veel. Het vee van de jongen joeg iedereen voor zich uit. Omheiningen van compounds werden omvergelopen en hutten vernield. De dorpelingen werden de mangrove moerassen ingedreven, waar ze jammerlijk omkwamen.

Toen de jongen weer durfde kijken was het dorp verwoest en verlaten. Het enige wat nog overeind stond was de compound van zijn vader. Het vee stond rustig in de schaduw van de baobab, alsof er niets gebeurd was.

De jongen ging terug naar de mahonieboom en vertelde wat er gebeurd was. Hij offerde een schaap, maar er gebeurde niets bijzonders. Toen hij weer terug in het dorp kwam zag hij tot z’n verbazing dat er rook uit de schoorsteen kwam. Thuisgekomen lachte zijn moeder hem toe en zijn vader kwam opgewonden achter het huis vandaan. Hij vertelde hoe een vijandige stam het dorp verwoest had, maar dat ze, dankzij de sterke omheining, geen kans gezien hadden hun compound binnen te dringen. De bezittingen van hun dorpsgenoten waren buitgemaakt en de dorpelingen als gevangenen meegenomen.

De jongen lachte wat voor zich heen, hij wist wel beter. Ze dronken met elkaar een glaasje palmwijn op de goede afloop en ze leefden nog lang en gelukkig.

Ninkee Nankaa

Zoals overal elders in de wereld kent men ook in Gambia verschijningen die mensen angst inboezemen. Het kan een religieuze achtergrond hebben of een folkloristische, het kan boeman genoemd worden of Zwarte Piet, overal vindt men ze.

In Gambia heet het Ninkee Nankaa (Ninkie Nanke). Het verhaal heeft weliswaar een Mandinka historie, maar overal in het land kent men ze: de Ninkee Nankaa’s, in elk dorp of in elke streek met z’n eigen hebbelijkheden en vooral onhebbelijkheden. Er zijn een paar zaken die ze gemeenschappelijk hebben. Ninkee Nankaa is het Mandinka woord voor draak. Daarmee is de voorstelling van de figuur al een stuk gemakkelijker. In werkelijkheid is Ninkee Nankaa een slang van forse afmeting. Op zijn kop bevindt zich een spiegel. Deze speelt een belangrijke rol in het verhaal van Ninkee Nankaa. Hij gebruikt de spiegel als oog en het is de enige methode om hem te bestrijden.

Als de slang zichzelf in een spiegel ziet sterft hij. Via de spiegel op zijn kop kan hij echter ongestraft zijn omgeving bekijken, ook een spiegel deert hem niet. In feite maakt dit ‘oog’ het voor hem mogelijk om zonder zijn ogen te openen de omgeving in de gaten te houden. Onder de spiegel, op het voorhoofd van Ninkee Nankaa, staat een tekst: ‘Bisimilai’ ‘In de naam van God’.

Ninkee Nankaa leeft ondergronds in een waterrijk gebied. Dat is een geluk voor de zwarte mensheid, want ieder die de slang ziet en een donkere huidskleur heeft, sterft direct of binnen enkele dagen. Daar zijn voorbeelden van te over. In elk dorp kunt u de verhalen over geheimzinnige sterfgevallen van mensen die Ninkee Nankaa gezien hadden horen.

Blanken ondervinden geen hinder van het aanschouwen van Ninkee Nankaa. Integendeel, de slang verstopt zich voor hen omdat hun ogen als spiegels fungeren en dus de slang zouden kunnen doden. Om die reden mocht dan tot op heden ook geen blank oog de slang aanschouwen.

Ninkee Nankaa is niet gewelddadig. Hij zoekt geen slachtoffers en is slechts dodelijk als je hem ziet. Als hij zich bovengronds verplaatst laat hij dat weten door de bewoners van het gebied te waarschuwen. Hij slaat met zijn staart op de grond: boing… boing… boing. Hij zal zich echter nooit verplaatsen als er een blanke in de buurt is. Om die reden mocht dan ook nog nimmer een blank oor het geluid horen.

Sommige dorpen hebben hun maatregelen genomen om Ninkee Nankaa buiten de omheining te houden. In Madiana, onder Brufut hebben de mensen spiegels geplaatst en op dezelfde manier wordt hij nabij Gunjur binnen de mangroven gehouden waarin hij zich bevindt. Dat gebeurde nadat een oude vrouw die Ninkee Nankaa zag, binnen twee dagen al het haar verloor en stierf. Een 10-jarige jongen ontmoette de slang eveneens en werd de volgende morgen dood aangetroffen. In het Bintang Bolonggebied hebben de mensen geluk, zij beschikken over een geest die hen voor het ondier waarschuwt.

Wie kent niet het verhaal van de jongen die door zijn boze stiefmoeder naar het gebied gestuurd werd waar Ninkee Nankaa zich ophield om hout te sprokkelen? Huilend ging hij op weg. Onderweg ontmoette hij een oude man die hem verbood het gebied binnen te gaan. De man had een zware kist bij zich en in plaats van hout te sprokkelen hielp hij de man met het sjouwen van de kist. Als dank gaf de man hem een ring die gedurende 7 nachten onder zijn kussen gelegd moest worden. Natuurlijk krijgt de jongen die met dit verhaal thuiskomt op zijn kop, maar zijn vader heeft er begrip voor dat hij het gebied van de slang niet is binnengegaan.

Na 7 nachten verschijnt er een geest in zijn droom die beweert de oude man te zijn. Onder het bed van de jongen bevindt zich de kist die hij de man hielp sjouwen goed gevuld met goud en geld. De jongen gaat in zaken en is daarin zo succesvol dat hij zijn familie in grote welstand kan laten leven. Zeer tot ongenoegen van zijn stiefmoeder.

Op een dag moet hij voor zaken op pad. Hij neemt, zoals gebruikelijk, een pannetje rijst mee. Onderweg ontmoet hij zijn oude vriend, die hem vertelt niet van de rijst te eten. Zonder vragen volgt hij de opdracht op en als hij thuis komt, is zijn stiefmoeder zeer verbolgen. De jongen geeft de rijst (niets wordt in Gambia weggegooid) aan de honden, die binnen een uur dood neervallen. De vader ziet dit en vraagt om tekst en uitleg.

De stiefmoeder probeerde de jongen uit afgunst te vergiftigen. Ze wordt uit het dorp verbannen naar het gebied waar Ninkee Nankaa woont. Niemand heeft ooit meer iets van haar vernomen maar elke oude man die het Bintang Bolonggebied bereist wordt daar met grote eerbied bejegend. Je weet maar nooit!

Het huwelijk van Mansani Ceesey

In Bondali bevindt zich het graf van de stamvader van een heel bekende Gambiaanse naam: Ceesey. Mansanih Ceesey, van Mandinka afkomst, kwam op mysterieuze wijze om het leven.

 Aan de rivier ontmoette hij een beeldschone vrouw van het Serervolk. Ze werden stapelverliefd op elkaar, maar ze waren beiden getrouwd. Voor Ceesey was dat geen probleem, hij was een welgestelde handelaar die nog maar één vrouw had. Voor de vrouw lag het ingewikkelder, zij was getrouwd met de straatarme Bakari Sarr. Deze weigerde van haar te scheiden, maar ze liet hem in de steek en trok bij haar ouders in. Na een jaar zou ze vrij zijn. Sarr liet het er niet bij zitten, hij bezwoer dat zijn ex nimmer het bed zou delen met Ceesey.

Op de dag waarop het huwelijk werd aangekondigd was het groot feest in Bondali. Iedereen kwam de bruidegom gelukwensen, de bruid zelf zou pas op de dag van het huwelijk naar het dorp worden gebracht. Sarr reisde naar Bondali om daar zogenaamd zijn gelukwensen aan te bieden. Niemand kende hem en Ceesey had vele relaties. Voordat Sarr zijn tocht naar Bondali ondernam, bezocht hij een bevriende marabout, aan wie hij zijn probleem voorlegde. De marabout nam Sarr’s handen en zond gebeden op. Hij stuurde hem naar Bondali met de uitdrukkelijke opdracht zijn handen niet te wassen en niemand de hand te schudden voordat hij zijn gelukwensen aan Ceesey had aangeboden. Via vele achteraf weggetjes, niemand mocht hem zien want dat betekende handen schudden, bereikte hij het dorp, waar hij zich naar het huis van Ceesey begaf en hem gelukwenste met zijn voorgenomen huwelijk.

Op de dag van het huwelijk was het dorp feestelijk versierd, Ceesey’s huis en vooral zijn bed straalden de rijkdom uit waarvan de bruid haar deel zou krijgen. In optocht werd zij naar het dorp gedragen en bij de poort van de compound achtergelaten. Ceesey zou haar nu in zijn huis uitnodigen en het bed met haar delen, waarna de feestelijkheden een aanvang konden nemen. Er gebeurde echter niets en de ceremoniemeester zag zich genoodzaakt de bruidegom te roepen. Hij kreeg echter geen antwoord en veronderstelde dat Ceesey sliep. Nadat zich dit ritueel een aantal malen had herhaald werden de dorpelingen en de bruid, respectievelijk ongeduldig en ongerust. De vader van de bruid begaf zich naar de woning en trof Ceesey aan in het bruidsbed… dood.

De Lion King

Veel mensen zullen de naam in verband brengen met een creatie van Walt Disney. Gambia heeft zijn eigen Lion King gekend, de enige Gambiaan met een persoonlijke, ver van begraafplaatsen verwijderde graftombe. Er is geen reguliere touroperator die u er brengt, sterker nog, er zijn maar weinig gidsen die van de Gambiaanse Lion King gehoord hebben, laat staan dat ze zijn graf weten te vinden.

De graftombe bevindt zich nabij Chriss Kunda (Kesser Kunda), een klein dorpje, op de zuidoever nabij JanjangBureh. Midden in het land, te midden van hoog opgaand olifantsgras staat een gebouwtje, ingericht als laatste rustplaats van deze legendarische Gambiaan, Musa Moloh, van Fula afkomst. Hij leefde in de 19e eeuw. In de meeste verhalen wordt hij als een marabout afgeschilderd en als gevolg daarvan een verwoede voorvechter van de islam. Hij bestreed het opkomende christendom en onderwierp de volkeren die bomen of dieren als goden aanbaden. Hij bespeelde de kora als geen ander en maakte juju’s ter bescherming tegen onheil van buiten, voorzien van door hem zelf verzonnen spreuken of gedichten.

Vele Gambianen raadpleegden hem in tijden van nood, maar ook mensen uit Senegal en zelfs uit Ghana wisten hem te vinden. Hij trok ten strijde om zijn evangelie te verkondigen en schuwde de meest barbaarse methoden niet om dit daadwerkelijk aan de man te brengen. Maar hij stond vooral bekend als een groot jager, die nimmer zijn prooi doodde zonder het in de ogen gekeken te hebben. Zijn bijnaam heeft hij dan ook in hoofdzaak daaraan te danken. Zijn speer en pijl troffen altijd dodelijk doel.

Als gevolg van zijn strijdlust werd hij het hoofd van vele onderworpen dorpen, regeerde met ijzeren hand en werd gehaat door velen. Hij vond dan ook de dood door een moordenaarshand. Door zijn volgelingen die hem koning noemden werd hij in een eigen graf gelegd dat permanent werd bewaakt om roof en verbranding door zijn tegenstanders te voorkomen. Natuurlijk was hij geen koning in de westerse betekenis van het woord. Zijn zoon werd evenmin koning, maar had genoeg invloed om als chiefs chief benoemd te worden van de MacCarthy Island Division, de tegenwoordige Central River Division.

Tegenwoordig zwaait nog steeds een nakomeling van Musa Moloh de scepter over deze Division. Deze nazaat, Alhadji Lamin Baldeh, is de enige die toegang kan verschaffen tot de graftombe, omdat hij de sleutel van het gebouwtje onder zijn hoede heeft. Helaas, hij woont in Sankuli Kunda, een kilometer of tien naar het westen en is bovendien weinig thuis, druk, druk, druk, druk. Niettemin, als u een bezoek brengt aan de graftombe, kunt u door de ruiten de sarcofaag zien staan.

Andere onderwerpen

  • Een paar woordjes Gambiaans

    Taalboekjes
    Als taal bestaat het Gambiaans niet, of het zou verbasterd Engels moeten zijn waaraan hard gewerkt wordt om dit uit te roeien. De Gambiaanse taal is Engels!Er...
  • Geschiedenis

    Meer dan 12.000.000 gingen aan boord
    De te vertellen geschiedenis van Gambia, althans wat daarover bekend is, staat in geen verhouding tot de hoeveelheid van geschiedkundige feiten die u op school...
  • Klimaat

    Droogte heeft zijn nadelen
    Als er weinig wind staat of de wind waait uit het oosten, komt de warmte vaak drukkend over, maar na een paar dagen bent u daar wel aan gewend. Als de wind van...
  • Kunst en cultuur

    Kunst en cultuur
    Kunst en cultuur in Gambia zijn nauw verbonden met de landen eromheen, of eigenlijk met de cultuurgeschiedenis van geheel West-Afrika. Niettemin worden er...
  • Land en volk

    Womans Garden Project
    LiggingGambia ligt in West-Afrika, aan de Atlantische Oceaan. Met een oppervlakte van 11.300 km² is het land ongeveer 1/5 van Nederland en België tezamen. In...
  • Nationale parken

    Nationale parken en reservaten
    Gambia kent verschillende nationale parken en natuurreservaten. Het meest bekend en ook voor het publiek geopend is het Abuko Nature Reserve, waarover elders...
  • Ontmoetingen

    Ontmoetingen
    Ontmoetingen met vreemde volkeren, met andere culturen en leefgewoonten zijn spannend en leerzaam. In een land als Gambia, waar bijna iedereen je aanspreekt,...
  • Winkelen en souvenirs

    Djembeh, gewild souvenir
    Gambia is een land waar afdingen moét. Met uitzondering van winkels waar artikelen tegen vastgestelde prijzen te koop worden aangeboden, zoals o.a. in...