Een nieuwe tijd

In 1494 waren alle Canarische eilanden inclusief Gran Canaria door de Spanjaarden veroverd. Deze verovering kostte aan Spaanse zijde meer levens dan de hele bezetting van het grote Aztekenrijk in Mexico, zo fel hadden de Guanchen tegenstand geboden.

Spanje beleefde in die periode zijn glorietijd onder Fernando en Isabella. Na de ontdekking van de nieuwe wereld hadden zij een indrukwekkend wereldrijk bijeengebracht dat de Spaanse schatkist geen windeieren legde. Ook in de Canarische archipel brak een periode aan van welvaart want de transatlantische scheepvaart bracht veel handels- en havenactiviteiten naar de eilanden.

Kooplui en immigranten uit Spanje, Portugal, Italië, Frankrijk, Holland en Groot-Brittannië deden de bevolking snel groeien. Zij brachten vee, suikerriet en wijnranken mee, de basis van een florerende handel, vooral met Engeland, wat de nog steeds stevige banden met de Engelsen verklaart.

Halverwege de 17e eeuw bereikten de suikerhandel en de wijnexport hun hoogtepunt. De meeste Guanchen deelden niet mee in de welvaart. Zij werden tewerkgesteld op de suikerplantages waar ze zij aan zij met Afrikaanse slaven werkten. Net als in Amerika was de economische groei op de eilanden mede te danken aan slavenarbeid.