Gran Canaria in de 19e eeuw

De achterblijvers hielden het hoofd koel. Zij haalden inkomsten uit de verbouw van nieuwe producten die vanuit Zuid-Amerika hun weg vonden naar Canarische bodem. Tomaten, aardappelen en maïs werden de nieuwe exportartikelen.

Later kwam daar nog cochenille bij, een kleurstof geleverd door het vrouwtje van de scharlakenluis (Dactylopius coccus), een insectensoort die op vijgcactussen leeft. Voor de teelt van deze beestjes werden speciaal cactussen uit Mexico gehaald. Als de schilden van de luizen na de ‘oogst’ gemalen worden komt een karmijnrood pigment vrij dat gebruikt wordt om make-up, campari, snoep en andere levensmiddelen te kleuren.

Cochenille was een winstgevend handelsproduct (tot de introductie van synthetische kleurstoffen) maar de economie van Gran Canaria was pas echt gered rond 1850 met de introductie van de banaan. Een extra impuls kwam twaalf jaar later toen de havens van Gran Canaria en Tenerife de status van vrijhaven kregen.

Eind 19e eeuw ondergingen de Canarische Eilanden ook in culturele zin een opleving met de introductie van de drukpers. In 1899 verscheen de eerste Canarische krant: El Guanche. Her en der werden scholen opgericht en op Tenerife werd een universiteit geopend.

De eerste toeristen hielden vakantie op Gran Canaria en Tenerife, een tripje dat destijds uitsluitend was weggelegd voor welvarende Europeanen. De scheepsbedrijven die het vervoer regelden namen ook het initiatief voor de bouw van de eerste hotels. Hotel Santa Catalina in Las Palmas (1890) bleef hiervan als enige behouden.

De Eerste Wereldoorlog gooide roet in het eten want het scheepvaartverkeer viel bijna geheel stil. Kort daarna werden nieuwe wegen op de eilanden aangelegd en Gran Canaria kreeg het eerste vliegveld, de basis van de hedendaagse toeristische infrastructuur. Pas in de jaren zestig van de vorige eeuw, met de komst van de eerste chartervluchten, kwam het toerisme echt tot bloei.