Grotbewoners

Op alle eilanden troffen de Europese ontdekkingsreizigers neolithische beschavingen aan die leefden van landbouw (vooral gerst) en in mindere mate veeteelt en visserij. Vreemd genoeg waren er geen tekenen van scheepvaart. Ieder eiland had zijn eigen gebruiken en dialecten maar op alle eilanden zijn aardewerken potten en rotsschilderingen gevonden.

De oorspronkelijke inwoners van de Canarische Eilanden staan in de Spaanskoloniale en hedendaagse literatuur bekend onder de verzamelnaam ‘Guanchen’, hoewel het eigenlijk ging om mensen met verschillende achtergronden. Guanchen komt van ‘guan’(man) en ‘che’ (witte berg, een verwijzing naar El Teide op Tenerife) en betekent dus zoveel als ‘mannen van Tenerife’.

De Guanchen woonden in grotten, lavatunnels of zoals op Gran Canaria in ronde, uitgegraven ruimtes met een houten dak. Ze gingen gehuld in geitenvellen. Inderdaad vrij primitief maar deze mensen hadden tegelijkertijd een verfijnde sociale structuur waarbij de maatschappij was verdeeld in stammen. Op sommige eilanden verenigden stammen zich tot een koninkrijk met een Guanchen-koning, op Gran Canaria guanarteme genoemd. Hij werd geadviseerd door een faycán (religieus leider), een raad van oudsten en een militaire raad.

Gran Canaria was tijdens de komst van de Spanjaarden verdeeld in twee koninkrijken: Telde en Gáldar. Bijzonder was dat de Guanchen, en dat geldt vooral voor de westelijke eilanden, hun hogergeplaatsten na overlijden balsemden en te rusten legden in afgelegen grotten of onder grote stenen. Geen van de eilanden kende het gebruik van ijzer.

Met hun eenvoudige houten wapens konden de Guanchen uiteindelijk niet op tegen de modernere middelen van hun bezetters. Na een harde strijd, waarbij duizenden het leven lieten, moesten ze zich uiteindelijk gewonnen geven.