Naar Latijns-Amerika

De eerste Canarische emigranten volgden Columbus naar de Spaanse koloniën in de Carïben en Zuid-Amerika. Montevideo, de hoofdstad van Uruguay bijvoorbeeld, werd gesticht door migranten van Lanzarote. Aanvankelijk was dit onder dwang van de Spanjaarden die de overzeese gebieden wilden bevolken.

De grootste uittocht kwam echter in de tweede helft van de 17e eeuw toen concurrentie uit Zuid-Amerikaanse landen de Canarische suikerhandel deed instorten. Ook de wijnbouwers hadden pech: de export liep terug door verslechterende relaties tussen Spanje en Engeland terwijl ziektes de wijngaarden vernietigden. Duizenden verarmde boeren trokken naar de nieuwe wereld om honger en werkloosheid te ontvluchten. Velen overleefden de oversteek niet. Zij die het wel haalden kwamen vooral op Cuba en in Venezuela terecht. 

Na de Tweede Wereldoorlog was er wederom een emigratiegolf en de banden met Latijns-Amerika zijn nu hechter dan ooit. Venezuela wordt zelfs wel het achtste Canarische eiland genoemd. Ook de inwoners van enkele dorpen in het zuiden van de Verenigde Staten hebben Canarisch bloed.