Dorpen in de buurt van het meer

Sololá

Dit stadje ligt op ruim 2000 m hoogte boven het meer van Atitlán. Men spreekt er Spaans en Cakchiquel. De naam betekent waar-schijnlijk ‘rivier van de vleermuis’. Deze vleermuis is het symbool van het laatste koningshuis van het Cakchiquel-volk.

In 1547 werd Sololá vlak bij de precolumbiaanse nederzetting ‘Tzoloyá’ gesticht waarvan de ruïnes een paar kilometer ten noorden van de huidige stad liggen. Sololá is de hoofdstad van het departement met dezelfde naam dat zeer veel inheemse inwoners telt. De ‘Sololatecos’ zijn traditioneel ingesteld waarbij de cofradías, de religieuze broederschappen, een belangrijke rol spelen. Op zondagmorgen lopen zij getooid met hoge hoeden en gehuld in zwarte capes en met een rituele staf in de hand naar de kerk. De cofradía is een hiërarchische organisatie met zeven rangen; zij vertegenwoordigt de autoriteit die het dorp bij elkaar houdt. De leden worden in principe voor één jaar gekozen en vervullen taken, helpen bij ceremonies en dragen verantwoordelijkheden die door oeroude costumbres (gewoonten) gedicteerd worden. Men begint onderaan in een van de lagere burgerlijke posten en moet daar bewijzen over de juiste eigenschappen te beschikken. Deze zijn: betrouwbaarheid, intelligentie en ijver. Daarna is er de mo-gelijkheid voor hem om gekozen te worden voor een verantwoordelijke positie in de kerk. De laagste rang is die van Chajales, Ajtzalans of Alguacils, dit zijn 3 tot 4 mannen die de priester helpen bij het schoonhouden van en het toezicht houden op de kerk e.d. De geschiktste hiervan kan Mayor-domo worden: hij helpt onder andere bij processies. Een rang hoger heet hij Calpul en nog hoger Regidor, dan is hij een soort kerkpolitieagent. Hij zal met zijn 11 metgezellen de rituele staf dragen, autoriteit hebben over de bevolking en andere kleding dragen bij ceremoniële gelegenheden. Een paar van deze Regidores kunnen echt lid worden van de cofradía van een bepaalde heilige en worden Cofrade genoemd.

Sololá telt een dozijn van deze broederschappen die zo’n 20 leden hebben. Voor elke heilige verrichten zes man bepaalde diensten waarbij hun echtgenotes ook actief zijn. De leden van de cofradías zijn bijna allemaal afstammelingen van de oude adel en zij vormen een machtige groep van een paar honderd mensen die de stad regeert. Verder behoren het oplossen van geschillen en het spreken van recht ook tot hun taken. Zij moeten een flinke financiële bijdrage aan de broederschap leveren aangezien ze als welgesteld beschouwd worden.

Om ervoor te zorgen dat een bepaalde groep niet te veel macht krijgt, veranderen de broederschappen ieder jaar waarbij de mannen van heilige wisselen of er een paar jaar uitstappen. Ze behouden wel hun prestige, maar verliezen hun autoriteit. Boven de cofradías staat de Fiscal; hij is een oude man die in alle broederschappen gediend heeft. Daarboven staat de Camol die door een hele lange ervaring wijs is geworden en volkomen onpartijdig is. ‘Zijn woord is goud’, wordt er gezegd.

In Sololá worden 12 heiligen door de cofradías gediend: de belangrijkste is de Maagd Maria, wier afbeelding in de kerk staat. Aan het hoofd van haar broederschap staat de Fiscal, die tevens belast is met de zorg voor het Heilige Kind. Maria is ‘La Patrona del Pueblo’ (patroonheilige van het dorp). Hierna komen: Onze-Lieve-Vrouwe van de Rozenkrans, Het Heilige Kruis, het Heilige Sacrament, de Heilige Anthonius van Padua, de aartsengel Michaël en de Heilige Bartholomeus. Omdat ze tot de armere wijken behoren, vallen de volgende heiligen in een iets lagere categorie: de aartsengel Gabriël, de Heilige Isidoor, de Heilige Nicolaas, de Heilige Jacobus en de Heilige Franciscus. Elke heilige blijft binnen zijn wijk, maar als de jaarlijkse wisseling van de broederschappen plaatsvindt, wordt hij verplaatst naar een andere kapel in die wijk. Zo’n kapel bestaat vaak alleen maar uit een kamertje dat aan hem is opgedragen door het hoofd van de broederschap. Hier staat een heiligenbeeld met een altaar dat versierd is met bloemen en kaarsen. Langs de muren staan houten banken, waarop de leden van de cofradía kunnen zitten roken en alcohol drinken. Voordat men het glas heft, wordt er eerst een offer gebracht aan de heilige.

Het kostuum van de hoofden van de cofradía bestaat uit een zwart gestreept wollen jak, dat van voren gesloten is, op de rug een gestileerde vleermuis heeft en op de zoom het heilige maïsmotief en een zwarte wollen broek die over de dagelijkse kleding gedra-gen wordt. Hierbij draagt hij een zwarte, ceremoniële hoed met een Oostenrijkse band om de bol, een tzut over het hoofd onder de hoed en een dikke zwart-wit geblokte deken die over de linkerschouder gedragen wordt. Het kostuum van de Regidores is net even anders: het jasje heeft niet het heilige maïsmotief; de zwarte wollen broek wordt opgeschort gedragen zodat de dagelijkse kleurige broek zichtbaar wordt en de tzut wordt om de nek geknoopt. De ceremoniële kleding van de vrouwen bestaat uit een lange, prachtig geweven huipil met een schitterend versierde hals.

Als het gewone volk de gerespecteerde leden van de broederschap ontmoet, wordt ter begroeting de hand gekust en op feestdagen zijn er processies van de cofradías.

De producten die in de omgeving groeien zijn maïs, tarwe, gerst, aard-appelen, uien en knoflook. Sololá behoort tot de belangrijke marktcentra van de westelijke hooglanden. Op dinsdag maar vooral op vrijdag komen vele mensen uit de hele regio, die hier hun producten verkopen en hun benodigdheden kopen. De markt wordt op de plaza en de eromheen liggende straten gehouden en het is vooral een Indiaanse markt waar Indiaanse producten aan Indiaanse kopers van twee linguïstische groepen, de Cakchiquels en de Tzutuhils verkocht worden. De inrichting van de markt is gebaseerd op het oude Midden-Amerikaanse Indiaanse patroon, waarbij elk product zijn eigen plaats heeft. Het vee staat bijvoorbeeld aan de rand van de markt; de maïs heeft een bepaalde plaats; terwijl de uien-, bieten- en avocadoverkopers bij elkaar staan. Op deze markt kun je ook mooie tweedehands huipils kopen. Deze markt is eigenlijk veel authentieker dan die in Chichicastenango.

De Sololatecos handhaven nog de traditionele klederdracht: de vrouwen dragen een rode gestreepte huipil met mouwtjes; de mannen dragen broeken van hetzelfde materiaal. Verder bestaat de mannelijke dracht uit korte dekenrokken en korte wollen jasjes in de oude stijl van Spaanse officieren. Deze jasjes hebben op de rug een gestileerde vleermuis; het symbool van de laatste heersende dynastie van het Cakchiquel-volk. Helaas worden deze jasjes steeds minder gedragen en vervangen door felgekleurde hemden.

In de buurt van Sololá

Vanuit Sololá loopt er een onverharde weg hoog boven het meer waaraan twee leuke dorpjes liggen: Santa Lucía Utatlán en San José Chacayá. Omdat ze niet aan de grote weg en niet aan het meer liggen, worden ze zelden door toeristen bezocht. Toch is een bezoek aan deze dorpen, ook vanwege de prachtige omgeving, de moeite waard.

San José Chacayá

Dit piepkleine dorpje ligt 6 km van Sololá verwijderd. Het ligt op 2150 m hoogte zo’n 500 meter boven het meer. De landweg ernaartoe loopt door een cañon en passeert afwisselende landschappen. Men spreekt hier Cakchiquel en Spaans. Er is een fiesta op de dinsdag in de paasweek.

Santa Lucía Utatlán

Aan dezelfde onverharde weg, 14 km vanaf Sololá, ligt dit dorp op 2500 m hoogte. Men spreekt er Quiché en Spaans. Utatlán betekent ‘plaats van bamboe’. Aan de plaza staat een aardige kerk in neokoloniale stijl; de oorspronkelijke kerk werd tijdens de aardbeving van 1976 verwoest. Van deze oude kerk staat de ingang nog overeind en deze doet dienst als dorpskantoor. Op 13 december is er een fiesta.

De omgeving van dit dorp bestaat uit gemengde bossen en tarwe- en maïsvelden. Vanaf de weg heb je een mooi uitzicht op de gehuchten in de dalen. De weg loopt verder naar Santa Clara La Laguna en Santa Maria Visitación (zie hierboven Dorpen aan het meer).

Naar Quetzaltenango

Als je vanaf Panajachel via Sololá richting Quetzaltenango reist, passeer je het kruispunt Los Encuentros, waar vier belangrijke wegen samenkomen, namelijk die naar de hoofdstad, Quetzaltenango, Chichicastenango en Panajachel. Het is een mooie rit naar Quetzaltenango waarbij je voortdurend uitzicht hebt op heuvels en dalen die in het regenseizoen prachtig groen zijn en in het droge seizoen bruin van kleur. Vanwege de hoge bevolkingsdichtheid zie je akkertjes hoog tegen de hellingen liggen waardoor er veel erosiegevaar is en de opbrengsten schraal zijn. Halverwege de route passeer je Nahualá.

Nahualá

Dit grote dorp ligt op bijna 2500 m hoogte. De naam betekent ‘plaats van de geesten’ of ‘magisch water’, dat laatste verwijst naar de heldere rivier. Hier wordt Quiché en Spaans gesproken. In Nahualá heeft men heel lang geprobeerd om alle tradities in stand houden door buitenstaanders te weren. Zo mochten vele jaren lang ladinos en vreemdelingen het dorp niet betreden en zich er ook niet vestigen.

In de 19e eeuw werd gedurende de regering van generaal Manuel Barillas in verschillende delen van Guatemala land van de Indianen afgenomen en verkocht aan koffieplanters. Het excuus was dat het land niet op de beste manier gebruikt werd en dat de Indianen niet een werkelijke bijdrage leverden aan de economie. Door deze confiscatie verloor het Nahualá-volk het gebied dat het eeuwenlang in bezit had en bewerkt had en waarop het zijn voedselgewassen verbouwde. De hele mannelijke bevolking vertrok naar het paleis van generaal Barillas in Guatemala Ciudad. Daar vroegen de Indianen welke prijs ze moesten betalen om het land terug te krijgen. De president verzekerde hen toen dat ze het land mochten behouden. Dit is jarenlang het geval geweest, maar uiteindelijk raakten ze het toch kwijt aan ladino-koffieplanters en de regeringsplantage Chocolá.

Gedurende de jaren dertig van de 20e eeuw, toen generaal Jorge Ubico president was, bracht hij eens een bezoek aan Nahualá, dat geleid werd door de cofradías die van oude adel afstamden. De centrale overheid had er een ambtenaar naartoe gestuurd om de belastinginning te controleren en had er een klein militair hoofdkwartier, een post- en telegraafkantoor, een school, een gevangenis, een verpleegster en een bar met alcoholische dranken geïnstalleerd. De leiders van Nahualá verzetten zich tegen de afname van hun autoriteit en het uiteenvallen van hun stam, als er ladinos zouden komen wonen en er drank verkocht zou worden. Ze wilden hun kinderen niet naar school sturen vanwege de ladino-onderwijzers; ook maakten ze geen gebruik van het post- en telegraafkantoor. Ze betaalden echter wel belasting. Toen generaal Ubico dit dorp bezocht, werd overeengekomen dat jonge mensen uit Nahualá opgeleid zouden worden tot onderwijzer en tot die tijd zouden ladino-onderwijzers geaccepteerd worden. Ook werd er afgesproken dat uit een familie van drie of vier kinderen er één naar school zou gaan. Wat de alcohol betreft maakten de Indianen de volgende deal: ze zouden de accijnzen betalen maar er zou geen druppel verkocht worden. Dit geeft aan hoe belangrijk de inheemse bevolking het vindt om de tradities te handhaven.

Tegenwoordig wonen een paar ladinos in het dorp en komt een enkele vreemdeling de markt bezoeken. De drooglegging is inmiddels opgeheven, maar het drinken van alcohol wordt niet echt getolereerd.

De façade van de dorpskerk vertoont een mengeling van allerlei stijlen. Ceremonies en rituelen zijn vaak te zien op de trappen van de kerk in de vorm van het branden van kaarsen en wierook en het prevelen van gebeden. In Nahualá speelt de religie een heel belangrijke rol in het leven van de inheemse bevolking. Zo zouden vele mannen in het dorp ‘brujos’ (tovenaars) zijn.

Er zijn vele goede ambachtslieden in Nahualá die zich bezighouden met houtsnijwerk in de vorm van meubels, maskers, marimba’s en kinderspeelgoed. Ook worden er ‘metates’ (maalstenen) van graniet gemaakt en de mannen breien wollen schoudertassen waar de Habsburgse adelaar op staat afgebeeld. Hun kleding bestaat uit een ‘rodillera’ (lange wollen rok), die over een korte witte broek gedragen wordt. Daarboven dragen ze een gestreept rood hemd met geborduurde kragen en manchetten met daar overheen een jasje van ongeverfde zwarte schapenwol. Om het hoofd wordt vaak een ‘tzut’ gedragen.

De vrouwen dragen blauwe refajos (rokken) met een witte huipil die van twee lienzos (lengtes stof) is gemaakt en vrij lang is zodat hij in de corte of morga (rok) wordt gestopt. De meest populaire huipil is gemaakt van drie lienzos en draagt het ruitachtige motief van de ‘geweven vloermat’ met Gucumatz, de gevederde slang, op de schouders. Deze huipil wordt vooral door getrouwde vrouwen gedragen hoewel tegenwoordig ook door jonge meisjes. Een ander soort huipil heeft grote dierlijke of menselijke figuren die in een soort diamantvorm geplaatst zijn. De Kashlan Po’t, de ceremoniële hupil, bestaat uit drie lienzos en heeft de tweekoppige adelaar als motief en deze is afgezet met de gevederde slang. Vroeger werd zijden garen gebruikt waarvan de kleuren gingen lopen, maar dit gebruik van zijde verschafte status.

Je kunt Nahualá het beste op een marktdag (donderdag en zondag) bezoeken. Deze markt is heel rustig en traditioneel en de sfeer is er heel anders dan in Chichicastenango. Je zult er geen toeristen aantreffen en de sfeer is dan ook uniek.

Santa Catarina Ixtahuacán

Dit zusterdorp van Nahualá ligt acht kilometer ten zuidwesten van Nahualá. Het dorp ligt iets lager op 2300 m hoogte en de inheemse naam betekent ‘gecultiveerd land’. Van oudsher wedijveren de dorpen met elkaar, hoewel de taal, de costumbres en de klederdracht identiek zijn. In 1839 vond er in Santa Catarina een inheemse opstand plaats.

De volgende kruising van de Carretera Interamericana heet Quatro Caminos, waar, zoals de naam al zegt, vier wegen samenkomen, namelijk die naar de hoofdstad, Quetzaltenango, Huehuetenango en Totonicapán. Voordat je dit kruispunt bereikt, passeer je Alaska, het hoogste punt op deze weg dat op 3000 m hoogte ligt. Het is hier vaak nevelig, vooral ‘s nachts, en het landschap bestaat uit ‘pajon’ (bosjes gras) waarvan dakbedekking gemaakt wordt. De weg die in goede staat verkeert, klimt en kronkelt door een kaal landschap met grazende schapen. Vanaf Alaska slingert de weg naar beneden naar het kruispunt Quatro Caminos met comedores (eettentjes), diverse stalletjes en een tankstation; je kunt hier de witte kerk van San Franciso El Alto meestal ver boven de snelweg zien uitsteken. Het is een goed punt om te liften. Quetzaltenango ligt nog 10 kilometer van hier verwijderd. Vanuit het kruispunt leiden wegen naar Totonicapán en Quetzaltenango; het kruispunt voor San Francisco El Alto en Momostenango is een paar kilometer verderop. De Carretera Interamericana gaat via een bergpas naar Huehuetenango. Op weg naar Quetzaltenango passeer je Salcajá. Bij de volgende kruising Las Rosas, een paar kilometer voor Quetzaltenango, gaat een weg naar het zuiden via Cantel en Zunil die verder naar de Pacifische kust loopt.

Bestemmingen in de omgeving van Dorpen in de buurt van het meer

  • De dorpen rond het meer

    Weefster in San Antonio Palopó
    Hieronder volgt een beschrijving van de 12 dorpen rond het meer, die bijna allemaal de naam van een apostel dragen en die je te voet, met de bus of de boot kunt...
  • Panajachel

    Maya-meisjes maken tortillas
    Vanwege de vele buitenlandse toeristen die er komen, en de buitenlanders (gringos) die er wonen, wordt Panajachel wel ‘Gringo-tenango’ genoemd. Dit...
  • Santiage Atitlán

    Maximón in Santiago Atitlán
    Deze plaats is de grootste aan het meer van Atitlán. In de precolumbiaanse tijd lag de versterkte hoofdstad van het Tzutuhil-volk, Chuitinamit, aan de overkant...