Santiage Atitlán

Maximón in Santiago Atitlán
Maximón in Santiago Atitlán

Deze plaats is de grootste aan het meer van Atitlán. In de precolumbiaanse tijd lag de versterkte hoofdstad van het Tzutuhil-volk, Chuitinamit, aan de overkant van de baai op een heuvel aan de voet van de San Pedro vulkaan. Van deze stad is niets overgebleven. Santiago werd door de franciscanen gesticht en werd toen Santiago Chiyá oftewel ‘Santiago aan het meer’ genoemd. Santiago is de beschermheilige van de Spaanse veroveraars. De grote, witte koloniale kerk werd in 1568 door de franciscanen gebouwd en overleefde vele aardbevingen. Het interieur is interessant vanwege het hoge plafond en de heiligenbeelden in inheemse kleding die op de vele altaren langs de muren staan. Ook vind je er een herdenkingsteken dat herinnert aan het bloedbad van 2 december 1990 toen het leger het vuur opende op een grote groep demonstranten die na wangedrag van vier soldaten bij de kazerne buiten het dorp hun beklag kwamen doen. Er kwamen 13 personen bij om het leven. Na een onderzoek van de procureur van de mensenrechten, de vorige president Don Ramiro de Léon Carpio, werd de krijgsmacht schuldig bevonden aan deze moordpartij en werd het legerkamp opgeheven. De bevolking tekende ‘de belofte van Atitlán’ waarin staat dat niemand toegang tot het dorp krijgt die wapens draagt. Tevens werd het Comité voor Veiligheid en Ontwikkeling opgericht. Het was een van de weinige keren dat het brutale legeroptreden werd bestraft. Deze kerk staat aan de plaza in het centrum van de stad met ertegenover het gemeentehuis. De markt ligt aan de noordkant van het plein. Op vrijdag is het marktdag, maar er is elke dag een kleine markt.

Vanwege de gunstige ligging van Santiago is het van oudsher een belangrijk handelscentrum. Producten van het hoogland worden via oude handelsroutes naar de kust vervoerd en vice versa. Zo vervoert men suikerriet, bananen en tropisch fruit. Verder leven de inwoners van het verbouwen van groente en het maken van petates (matten). Tevens vervaardigen ze cayucos (kano’s) van avocadobomen en verkopen deze aan de inwoners van andere dorpen. Ze peddelen rechtopstaand in de cayuco.

De traditionele textiel van Santiago Atitlán is van hoogstaande kwaliteit. De mannen dragen witte broeken met paarse strepen, die aan de onderkant ook prachtig geborduurd kunnen zijn; daarboven dragen ze vaak westerse hemden. De geruite huipiles van de vrouwen zijn wit met zwarte vierkanten en zij hebben geborduurde bloemmotieven langs de hals. De motieven van de huipil ontwikkelden zich van kleine, gestileerde figuurtjes, meestal dieren of voorwerpen uit het dagelijks leven, tot vogels en later Maya-figuren of hiërogliefen, die alle op de stof geborduurd worden, met de hand of machinaal. Het verschil hiertussen kun je duidelijk op de achterkant van de stof zien.

De vrouwen dragen een bijzonder hoofddeksel in de vorm van een stralenkrans dat bestaat uit een lange band die om het haar, het hoofd en zichzelf gewonden wordt. Een inwoonster van Santiago staat afgebeeld op het 25 centavos muntstuk. Helaas dragen alleen nog de oudere vrouwen deze ‘tocoyal’ die meerdere keren per dag opnieuw omgebonden moet worden. In de winkeltjes in de hoofdstraat en in stalletjes op de markt kun je het fraaie weefwerk kopen. Galería Nim Pot tegenover hospedaje/restaurante Rosita verkoopt mooie, wat prijzige textiel en fraaie ansichtkaarten. Ook hier is een Artexco coöperatie: Flor del Lago. Santiago Atitlán is ook de woonplaats van de naïeve schilder Juan Sisay; hij heeft zijn studio en galerie in het centrum van het stadje. Inmiddels zijn ook een paar andere inwoners zich met schilderen gaan bezighouden, zoals Antonio Coche Mendoza. Het is leuk om zo’n schilderijtje als souvenir mee naar huis te nemen.

Een bijzondere religieuze figuur die er heel anders uitziet dan de katholieke heiligen is Maximón, een soort vogelverschrikker in sjofele westerse kledij. Hij draagt een hoed en een zonnebril en heeft vaak een sigaar in zijn mond, kortom een onsympathiek uitziende figuur. Omdat hij het kwaad vertegenwoordigt, is hij waarschijnlijk een symbool van de oude, boze Maya-god Mam, maar hij wordt ook geïdentificeerd met Pedro de Alvarado en de christelijke Judas. In vele steden in het hoogland wordt Maximón tijdens de paasviering bespot, maar in Santiago Atitlán wordt hij juist vereerd. Aangezien de katholieke kerk een uitbeelding van het kwaad niet tolereert, ontstonden er problemen tussen de bisschop van Sololá en de inwoners van Santiago Atitlán in de jaren vijftig van de 20e eeuw. Via tussenkomst van de president van Guatemala mocht de gemeenschap haar Maximón behouden; hij wordt in een aparte ruimte opgesloten en net als een heilige door een van de religieuze broederschappen verzorgd. Je kunt hem bezoeken en aangezien hij steeds wordt verplaatst spreken kinderen je vaak op straat aan om je tegen een kleine vergoeding bij hem te brengen. In de schaars verlichte, rokerige ruimte staat het beeld versierd met zijden sjaals en brujos voeren rituelen uit. Fotograferen kost Q5 per foto. Gedurende de paasdagen wordt hij in bonte processies meegedragen.

Op 25 juli wordt de fiesta van de patroonheilige van het dorp, de apostel Santiago, gevierd. Er is een grote processie waarbij de dansers van de Baile de la Conquista vooroplopen. Hierna volgen de cofradías, die gebeden prevelen en met wierookbranders zwaaien en hun vrouwen met kaarsen, die op hun beurt gevolgd worden door kinderen die een heiligenbeeld op een draagbaar torsen. Dan volgt een orkestje met onder andere een chirímia en een trommel. De stoet wordt afgesloten met vele heiligenbeelden op draagbaren waaronder die van Santiago. Tijdens deze fantastisch kleurrijke stoet wordt er zo nu en dan stilgehouden om de dansers de gelegenheid te geven hun Baile de la Conquista op te voeren. Er zijn hierbij twee partijen: de Spanjaarden onder leiding van Pedro de Alvarado, te herkennen aan het masker met de blonde snor en baard, en de Indianen die aangevoerd worden door Tecún Umán die een donker masker draagt en een eenvoudiger pak. Er worden teksten opgezegd en schijngevechten gehouden. De processie eindigt bij de kerk waaromheen een kermis is. De Baile de la Conquista wordt daar op een podium voortgezet. Om de dansers op de been te houden wordt er zo nu en dan een glaasje gedronken. Al deze festiviteiten worden door de inwoners in groten getale bijgewoond. Aangezien het huren van de kostuums voor deze dans een kostbare zaak is, kan men alleen om het jaar deze dans tijdens het feest opvoeren. Het is een hele ervaring om deze fiesta mee te maken. ‘s Avonds is het heel gezellig in het dorp; in de restaurantjes spelen straatmuzikanten en de mensen zijn vrolijk.

Als je met de boot in Santiago Atitlán aankomt dan zie je vaak vrouwen in het water staan om de was tegen de rotsen te doen. Dit is nog het traditionele Santiago waarnaar je steeds meer moet zoeken. Maak een wandeling door de buitenwijken van het dorp waar weinig toeristen komen. De kleine huizen zijn hier gebouwd van vulkanisch gesteente en worden van elkaar gescheiden door lage muren van opgestapelde stenen of een ‘schutting’ van cactussen. De Atitecos (inwoners van Santiago Atitlán) zijn niet verlegen en zijn ook nieuwsgierig naar jou. Zeg ze vriendelijk goedendag (Buenos días/Buenas tardes).

Als je naar het centrum loopt, krijgen de straten keien en zie je meer mensen. De huizen zijn hier van bamboe en adobe met rieten daken. Ze hebben vaak een klein stenen badhuisje op het erf, dat alleen gebruikt wordt door de heer des huizes. Na een bevalling mag ook een vrouw een stoombad nemen.

Dit dorp wordt veel door toeristen bezocht en de gevolgen daarvan zijn zichtbaar: er wordt veel gebedeld en de verkoopmethoden zijn niet altijd even prettig, maar het is wel begrijpelijk, want de mensen zijn over het algemeen arm. Toch is het toerisme niet de enige oorzaak waardoor traditionele elementen verdwijnen. Er zijn inmiddels 15 protestantse sekten die elkaar heftig beconcurreren; maar ook satelliet-tv, migratie naar de kust vanwege seizoenarbeid en andere omstandigheden doen sommige tradities verdwijnen. Toch is Santiago tot op heden een van de meest traditionele dorpen aan het meer van Atitlán en daarom absoluut een bezoek waard! Op vrijdag is er markt.

San Pedro La Laguna

Deze kleine plaats ligt op 1610 m hoogte aan de voet van de vulkaan San Pedro. De inwoners wonen dicht op elkaar in kronkelige straatjes. Het traditionele volksgeloof, een mengeling van oude Maya-rituelen met katholieke elementen, is hier overgenomen door evangelische sekten die ervoor zorgden dat vele tradities verdwenen zoals de traditionele klederdracht. De mannen dragen nog wel witte broeken met onderbroken blauwe strepen; de hemden worden gemaakt van stof die geweven wordt op trapgetouwen en ze worden door het hele land verkocht. De vrouwen dragen huipiles van machinaal geweven stof met pofmouwen en refajos (wikkelrokken) van jaspe-stof. De Pedranos zouden de ‘jaspe-techniek’ (afbindtechniek) in deze omgeving gebracht hebben. De Pedranos zijn nogal eigenzinnig in vergelijking met de inwoners van de naburige dorpen. In plaats van het vervoer te voet gebruiken ze paarden en muilezels en het zijn echte handelaars die veel grond opkochten in de buurt van San Juan maar ook aan de kust. Men verhandelt koffie en avocado’s en er is een bedrijf dat handgeknoopte wollen kleden met Maya-motieven maakt. Je kunt een bezoek brengen aan dit bedrijf dat gevestigd is in het noordoosten van het dorp aan het strand. San Pedro is een aangename plaats waar steeds meer buitenlanders, vooral jonge reizigers, komen en verblijven. Een aantal jaren geleden kwamen er vooral veel drugsgebruikende hippies, tegen wie de bevolking zich verzette. Inmiddels is de rust weer teruggekeerd. De bevolking is bijzonder vriendelijk en het is leuk om met hen in contact te komen. Men spreekt hier Tzutuhil en Spaans. Er is markt op donderdag en zondag waarbij die van zondag interessanter is. Er is een fiesta op 29 juni.

Vanuit San Pedro kun je de vulkaan met dezelfde naam beklimmen in 4 tot 5 uur; de terugweg neemt 3 uur in beslag. Je hebt wel een gids nodig. De vulkaan is omringd door koffieplantages en na 1000 m is de top meestal in wolken gehuld.

San Juan La Laguna

Dit kleine dorp heeft inwoners, die Tzutuhil spreken, ligt 2 km van San Pedro verwijderd op 1580 m hoogte. De belangrijkste middelen van bestaan zijn het weven van ‘petates’ (rieten matten) en de koffieteelt. De onverharde weg van San Pedro naar San Juan loopt langs de kust en hier bevindt zich aan de voet van de Cerro Cristalina het Cristalina-strand: de fijnste plaats om een duik te nemen in het meer; het is er meestal niet druk. Zo’n 500 m boven het meer liggen twee afgelegen dorpjes: Santa Clara La Laguna en Santa María Visitación die door een steil pad met San Juan verbonden zijn. Men spreekt er Quiché en er is markt op dinsdag en zaterdag. In Santa Clara worden manden gemaakt. Deze twee dorpen liggen aan het einde van een onverharde weg die vanuit Sololá via San José Chacayá en Santa Lucía Utatlán hiernaartoe loopt. San Juan heeft op 24 juni een fiesta. Slechts enkele boten naar San Pedro leggen aan in San Juan.

San Pablo La Laguna

Men spreekt hier Tzutuhil. Het plaatsje ligt op 1650 m hoogte en men maakt hier touw uit de vezels van de maguey(agave)-plant. Van dit touw vlecht men hangmatten, tassen en netten. Overal in het plaatsje kom je dit touw tegen. Er worden ook groenten verbouwd, maar vanwege de steile hellingen is er veel erosie zodat de chemische kunstmest en de vruchtbare humus gedurende de regenperiode in het meer terechtkomen. De herbouwde koloniale kerk heeft alleen nog een originele façade. In San Pablo eindigt de weg rond het meer en het is de laatste plaats waar Tzutuhil gesproken wordt. Op 25 januari is er fiesta.

De volgende vier plaatsen kunnen alleen met de boot bereikt worden of via een moeilijk begaanbaar pad

San Marcos La Laguna

Dit gehucht ligt op 1660 m hoogte en men spreekt er Cakchiquel. In de 17e eeuw werd dit dorp gesticht en het moest tot 1930 vijf maal verplaatst worden vanwege overstromingen. In 1950 vond de laatste overstroming plaats en verhuisde het dorp naar boven waar het op twee heuvels gebouwd is. De huizen hebben rieten daken en zijn van klei en bamboe gemaakt. De belangrijkste inkomstenbronnen zijn het verbouwen van groente, het onderhouden van fruitbomen, het houden van vee en het maken van touw. Er is een fiesta op 25 april.

Tzununá

Hier wonen ruim 700 mensen op 1600 m hoogte. De naam van de plaats betekent ‘kolibrie’. Men spreekt Cakchiquel. Hier worden de beste sinaasappelen en citroenen van de regio geoogst. De overstroming in 1950 hield hier ook flink huis en het dorp werd naar een hoger gelegen punt verplaatst. De inwoners van dit afgelegen plaatsje zien bijna nooit vreemdelingen.

Jaibalito

Dit gehucht ligt verscholen tussen koffiestruiken.

Santa Cruz La Laguna

Dit kleine, geïsoleerde dorpje van adobe-huizen ligt op 1660 m hoogte op een heuvel. Het is alleen bereikbaar via een moeilijk begaanbaar pad vanuit Panajachel en met de boot vanuit San Pedro en Panajachel. Als je de boot verlaten hebt, moet je 20 mi-nuten naar boven klimmen om het dorp te bereiken. De mensen zijn geen toeristen gewend, maar het is zeker de moeite waard om hier rond te kijken. Het kerkje in het centrum heeft primitieve heiligenbeelden die langs de muren opgesteld staan. Neem een kijkje in de school en de bibliotheek op het plein die gerund worden door vrijwilligers met hulp van donaties uit het buitenland.

San Jorge La Laguna

Dit is het laatste dorp aan het meer; het ligt op 1800 m hoogte en heeft inwoners die Cakchiquel spreken. Het werd in de 18e eeuw gesticht en moest na een overstroming naar boven verhuizen. Aan de plaza staat een witte kerk en net als in Santiago Atitlán is in dit dorp een Maximón aanwezig. Hoewel het dorp vlak bij de weg van Panajachel naar Sololá ligt, wordt het weinig bezocht. In de buurt van het dorp kun je de San Buenaventura-waterval bezichtigen, die in de regentijd de moeite waard is. Vanuit het dorp kun je via een onverharde weg het meer bereiken. Op 24 april viert men een fiesta.

Bestemmingen in de omgeving van Santiage Atitlán

  • De dorpen rond het meer

    Weefster in San Antonio Palopó
    Hieronder volgt een beschrijving van de 12 dorpen rond het meer, die bijna allemaal de naam van een apostel dragen en die je te voet, met de bus of de boot kunt...
  • Panajachel

    Maya-meisjes maken tortillas
    Vanwege de vele buitenlandse toeristen die er komen, en de buitenlanders (gringos) die er wonen, wordt Panajachel wel ‘Gringo-tenango’ genoemd. Dit...