Aardbevingen

Asbyrgi
Asbyrgi

Aardbevingen komen op IJsland zeer vaak voor, maar zijn zelden gevaarlijk. Aardbevingen horen tot de sterkste natuurkrachten en is voor mensen, die er een hebben meegemaakt, waarschijnlijk het meest angstaanjagende natuurverschijnsel. Tijdens een aardbeving voelt de grond soms aan als een deinend schip. De lengte van een aardbeving is meestal nooit langer dan een paar seconden, al kunnen uren of soms wel maanden later nog steeds naschokken gevoeld worden. In berggebieden veroorzaakt een aardbeving vaak aardverschuivingen, waardoor lawines kunnen ontstaan. Overal waar breuken in de aardkorst voorkomen, kunnen aardbevingen ontstaan. Gemiddeld komen er op de wereld per jaar één miljoen aardbevingen voor, waarvan 30% door mensen gevoeld wordt.

‘Slechts’ 5 aardbevingen hebben vernietiging, dood en verderf tot gevolg. Aardbevingen en uitbarstingen van vulkanen zijn een gevolg van schollentektoniek. De aardkorst is opgebouwd uit 12 schollen (tektonische platen), die ten opzichte van elkaar bewegen. De schollen drijven op een taaie laag gesmolten gesteente (de kern van de aarde) en hebben een dikte van 30 tot 200 km. De taaie onderlaag van de aardmantel beweegt heel traag, wat zich voortzet in de schollen. Op sommige plaatsen worden ze uit elkaar geduwd (rug) en elders schuiven ze tegen, onder of langs elkaar. Hierdoor ontstaat ook de verschuiving van de continenten. Het bewegen van de schollen gebeurt weliswaar geleidelijk, maar niet constant. Soms lijkt het alsof er helemaal geen beweging is; dit evenwicht wordt veroorzaakt door een lichte druk op de schollen. Wordt deze druk te groot, dan ontstaat er (meestal onverwacht) een trilling als de schollen gaan bewegen. Dat trillen wordt een aardbeving genoemd.

Aardbevingen komen regelmatig voor op IJsland, maar meestal richten zij nauwelijks of geen schade aan. Slechts 1 à 2 keer per eeuw komt een beving voor met een kracht van 6 tot 8 op de schaal van Richter. De meest desastreuze bevingen vonden in het zuidelijke laagland plaats in 1784 en 1896, toen een groot aantal boerderijen getroffen werd en als ruïnes achterbleven. Statistisch gezien verwacht men in het zuiden ieder moment weer een grote aardbeving. Het dorp Dalvík aan de fjord Eyjafjördur in het noorden van het land werd gedeeltelijk verwoest bij een aardbeving in 1934.

Ten noordwesten van Ásbyrgi kunt u het laatste bewijs van de tektonische krachten zien, omdat daar op 13 januari 1976 nieuwe spleten zijn ontstaan toen het land 4 m breder werd en een nieuw meer werd gevormd in een enkele maanden durende periode met aardbevingen. De naam van dit nieuwe meer luidt toepasselijk Skjálftavatn (aardbevingenmeer). De krachtigste schok had een kracht van 6.5 op de schaal van Richter, waardoor ook Kópasker grote schade opliep.

De tweede oorzaak van een aardbeving komt doordat lava zich in de aardkorst onder hoge druk opstapelt, waardoor het gesteente splijt. Hierdoor ontstaat een trilling of lichte aardschok. Indien binnen korte tijd op een bepaalde plaats veel van deze schokken worden gesignaleerd, is dat het teken van een naderende vulkaaneruptie.

Seismografen op IJsland

De kracht van een aardbeving heeft betrekking op de grootte van de seismische golven die optreden. Deze wordt uitgedrukt door gebruik te maken van een waarde op de schaal, die in 1935 door de geoloog Charles F. Richter werd uitgevonden. Het in 1920 opgerichte IJslandse weerbureau (Vedur) begon in 1925 met het regelmatig bijhouden van seismische metingen op IJsland. De door het weerbureau gemaakte IJslandse weersverwachting werd door het Deens weerbureau uitgezonden. Dat had weliswaar een aantal seismografen in het land neergezet, maar er werd geen regelmatig gebruik van gemaakt.

Van oudsher verkreeg Vedur de informatie over het weer hoofdzakelijk van veel boerderijen. Het was dus vrij logisch om ook de seismografen bij boerderijen in de vulkanisch actieve zones neer te zetten. De boeren stuurden de beschreven rollen papier per post naar Vedur in Reykjavík. Urgente informatie werd echter per telefoon of radio doorgegeven. In 1970 begon men op IJsland met het zelf fabriceren van seismografische apparatuur.

Pas na de eruptie op Heimaey in 1973 realiseerde men zich dat het bewaken van seismische gegevens niet alleen belangrijk was voor wetenschappelijke doeleinden, maar ook van groot belang zou zijn voor de civiele verdediging. De overheid zorgde voor voldoende geld, zodat Vedur meer meetapparatuur en telefoonlijnen kon aanschaffen, waarmee in Reykjavík meer gegevens konden worden verkregen en opgeslagen. In 1989 werd besloten het huidige systeem te moderniseren en te vervangen door een computergestuurd SIL-systeem. Omdat geleerden een verhoging van de druk onder de stad Selfoss opmerkten, werd daar de eerste apparatuur geïnstalleerd. In 1910 vond in dat gebied een zware aardbeving plaats met een kracht van 7 op de schaal van Richter. Er vielen doden en veel gebouwen werden vernield.

Vedur beheert nog steeds de seismische systemen, de metingen zelf, de apparatuur en het analyseren van de gegevens. Ook wetenschappers van de universiteit van Reykjavík hebben toegang tot deze gegevens. De universiteit bezit ook een aantal meters in de hooglanden en een aantal verplaatsbare meters, die in vulkanische gebieden kunnen worden geplaatst.

Gerelateerde onderwerpen

  • Vulkanisme en vulkanen

    De pseudokraters van Skútustadir
    IJsland is een van de vulkanisch actiefste landen ter wereld. Er zijn ongeveer 200 vulkanen, waarvan er ten minste 30 een uitbarsting hebben gehad sinds het land...