Blönduós – Akureyri

Er zijn twee mogelijkheden voor deze tocht: 1., De korte en snelle route via de ringweg die 164 km lang is. 2., De uitgebreide tocht, die langs de noordelijke kust voert en 338 km lang is. Via de ringweg, De afstand bedraagt 164 km en de reistijd ± 4 uur, inclusief de fotostops. Blönduós, Deze route start op de ringweg in zuidoostelijke richting. Blanda, De ringweg voert langs deze 175 km lange gletsjerrivier, die ontstaat uit de gletsjer Hofsjökull, vervolgens in Blöndulón door een krachtstation wordt gebruikt en ten slotte bij Blönduós in de oceaan eindigt. Vídimyri, Dit plaatsje ligt 1 km van de ringweg in groen laagland en was vroeger de woonplaats van een aantal ‘opperhoofden’ uit de buurt. Te bezichtigen zijn turfhuizen en een der oudste turfkerkjes van het land: Vídimyrarkirkja uit 1834, dat 100 jaar later gerestaureerd werd. De kerk is staatseigendom en staat onder beheer van het Nationale Museum van IJsland. Het geeft de bezoeker een goed inzicht over hoe de kerken er in die tijd hebben uitgezien. In de zomermaanden zijn binnen waardevolle voorwerpen uit die tijd te bezichtigen. Niet ver hier vandaan begint de binnenlandroute Skagafjardarleid [F752], die aan de andere kant uitkomt op de Sprengisandur [F26]. Varmahlíd, Centraal gelegen overnachtingsplaats met 130 inwoners. Er zijn een hotel, zwembad, garage, camping en paardenverhuur. De plaats is al sinds mensenheugenis een handelspost. Glaumbaer, Wanneer u op doorreis bent, moet u beslist even in Varmahlíd van de ringweg afgaan en via de [75] ongeveer 8 km naar het noorden om een van de best bewaarde 18e-eeuwse turfboerderijen te bezoeken. Tegenwoordig is er een streekmuseum in ondergebracht en staan er oude gereedschappen en relikwieën, waardoor de herinneringen aan de oude IJslandse architectuur en cultuur in stand worden gehouden. De atmosfeer is zo levensecht, dat u uw gevoel voor tijd kunt vergeten en op slag een van de rijke gezinsleden uit die tijd kunt worden! Glaumbaer is ook bekend door een bijzondere bewoner: Snorri Thorfinnson, die de eer te beurt viel om de allereerste Europeaan te zijn, die in Amerika werd geboren. Hij was de zoon van Thorfinnur Karlsefni, die de leiding had over een expeditie, die de winter van 1002-1003 in Amerika (Wijnland) doorbracht, nadat Leifur Eiríksson het in het jaar 1000 had ontdekt. Daar werd Snorri geboren, die later de eerste kerk in Glaumbaer oprichtte en daar waarschijnlijk is begraven. Tot 1947 werd Glaumbaer nog bewoond. De openingstijden zijn tussen 1 juni en 10 september dagelijks van 9 tot 18.00 uur. Afslag [753] naar Vindheimamelar, Hier worden beroemde paardenshows gehouden waarbij u de kans krijgt iets te weten te komen over de geschiedenis, het temperament en de veelzijdigheid van het IJslandse paard. Volgt u deze weg verder, dan komt u uiteindelijk bij Ábaejarkirkja (zie pag. 380). Kotagil, Prachtige kloof, waar u zich na wat halsbrekende toeren alleen op de wereld voelt. Öxnadalsheidi en Öxnadalur, Een bergpas, die dankzij het in 1995 nieuw aangelegde deel van de ringweg geen moeilijk te nemen hindernis meer is. Het erop volgende dal is een door mistige valleien omgeven verlatenheid, met slechts hier en daar een boerderij. De ruige bergruggen werden aan het eind van de ijstijd geformeerd door enorme aardverschuivingen. Op een uur wandelen ligt het visrijke Hraunsvatn. Afslag [815] naar Hörgárdalur, Ten westen ligt de rivier Hörgá in deze vallei, waar zich volgens de overleveringen een van IJslands spannendste spookverhalen heeft afgespeeld. Eyjafjördur U kunt deze fjord al zien vanaf de afslag van de [82], waar de noordelijke kustroute (zie de paragraaf hierna) weer op de ringweg komt. Het is zowel de naam van het district, als de naam van deze langste fjord (60 km) van IJsland, waaraan bekende plaatsen als Akureyri en DalVík liggen. Deze fjord, die diep het land binnendringt, biedt aan de landbouw zoveel beschutting, dat de vallei tot de belangrijkste agrarische gebieden van IJsland behoort. Akureyri, Wanneer u Groot-Reykjavík vergeet is dit de grootste stad van IJsland (ruim 22.000 inwoners) en de hoofdstad van Noord-IJsland. Aan plaatsnamen kunt u vaak afleiden hoe de plaats is ontstaan. Dat geldt ook voor Akureyri: akur betekent ‘akker’ en eyri ‘zandbank’ of ‘aangeslibd land’, dus Akureyri begon zijn bestaan toen het drooggevallen land in de Eyjafjördur in cultuur werd gebracht. Toen het Deense handelsmonopolie in 1602 werd afgedwongen kwamen Deense handelaren uit Helsingør in het bezit van de rechten om in Akureyri handel te drijven. In 1862 kreeg de plaats stadsrechten. De stad bezit maar liefst 3 uitstekende, door de natuur gevormde havens en goede communicatiemogelijkheden. Hierdoor is de stad niet alleen het belangrijkste onderwijs-centrum van Noord-IJsland geworden, maar ook het centrum van handel en industrie. De plaats is ook het hart van de coöperatieve beweging van IJsland, met veel coöperatieve fabrieken, b.v. voor zuivel en zuivelproducten. De stad breidde zich vanaf haar ontstaan, aan de voet van het hoog oprijzende gebergte, uit over het noordelijke heuvel- en laagland. Akureyri maakt een kleurrijke indruk. De huizen zijn overwegend wit of okergeel gesausd, terwijl de daken, die meestal met golfplaten bedekt zijn, helderrode of mosgroene kleuren hebben. De inwoners bevissen de zeeën, bebouwen het land, drijven handel (de stad is haar loopbaan als handelspost begonnen), bouwen schepen, branden koffie en maken chocolade. In hun vrije tijd skiën ze, springen met parachutes tussen de fjordwanden omlaag en glijden met hun surfplanken over het koude water van de Eyjafjördur. Zelf vinden de inwoners van Akureyri hun stad en hun fjord veel mooier dan Reykjavík en zijn baai. Ze vinden ook dat ze veel harder werken dan de mensen uit de hoofdstad. Ze voelen zich dan ook achtergesteld bij Reykjavík, waar de staatsmacht geconcentreerd is en waar in het Althing de belangen van het noorden onvoldoende behartigd worden (IJsland heeft een districtenstelsel; zie politiek op pag. 78). De Hafnarstraeti, de belangrijkste winkelstraat, is alleen toegankelijk voor voetgangers. ’s Ochtends, in alle vroegte, ruimen scholieren het straatvuil op. De kinderen worden voor hun vakantiewerk (de zomervakantie duurt op IJsland 3 maanden) bij gemeente, boer of in de industrie, goed betaald. In de stad vindt u Lystigardurinn, prachtige botanische tuinen in een deel van een groot, vrij te bezichtigen park. Dit park ontstond in 1910, toen een aantal vrouwen een parkje begon aan te leggen aan de buitengrens van Akureyri. Het in 1912 geopende park bevatte oorspronkelijk alleen maar verschillende boomsoorten. Tegenwoordig staan er ruim 400 eigen IJslandse gewassen, is er een speciale collectie noordse flora en tevens meer dan 3000 meer zuidelijke exemplaren. Het is de meest noordelijke botanische tuin ter wereld. Een van de opvallendste bouwwerken is de hooggelegen kerk (bereikbaar via een trap met 103 treden), met haar twee massieve spitsen die heel ongebruikelijk naar het oosten wijzen. De glas-in-loodramen zijn bijzonder interessant, mede omdat een van deze ramen oorspronkelijk uit de oude kathedraal van Coventry in Engeland komt, die in de Tweede Wereldoorlog vernietigd werd. Dit fantasievolle godshuis is slechts een van de vele voorbeelden van de avant-gardistische kerkbouw op IJsland. U vindt er 3 historische musea, ter nagedachtenis aan IJslandse poëten: Het Nonnahús, Adalstraeti 54, waar Jón Sveinsson (Nonni) zijn kindertijd doorbracht. Op de viering van zijn 100e geboortedag (16 november 1957) werd dit in 1849 gebouwde huis geopend als museum, ter nagedachtenis aan IJslands bekendste schrijver van kinderboeken. De twee andere musea zijn Sigurhaedir, het huis van de dichter Matthías Jochumsson en het huis van Davíd Stefánsson frá Fagraskógi. Uiteraard is er ook een volksmuseum in de stad te vinden, net als het museum voor natuurgeschiedenis. Nonni Travel verzorgt ’s zomers een 2 uur durende stadsrondrit. Deze rit voert langs het Akureyri museum, de botanische tuin, de kerk en natuurlijk Nonni’s huis. 18 km ten zuiden van Akureyri ligt aan de [821], vlak na de splitsing van de [824], Grundarkirkja. Vooral in de winter is het een van de allermooiste kerken van het land. De 1536 m hoge berg Kerling, die achter de kerk oprijst, is de hoogste berg van het onbewoonbare deel van het noorden en biedt vanaf zijn top een magnifiek uitzicht. Vanaf het vliegveld van Akureyri kan een vliegtocht gemaakt worden naar het eiland Grímsey 40 km ten noorden van het vasteland ligt IJslands meest noordelijke eiland: de poolcirkel loopt dwars over de noordkant van dit eiland, waardoor de zon in de zomer nooit ondergaat! Het eiland is een paradijs voor vogelaars, want er is een overvloed aan vogelsoorten te vinden: meer dan 60 verschillende soorten zijn vaste bewoners van het eiland, terwijl er duizenden broedende zeevogels te vinden zijn. Grímsey is per veerboot (o.a. vanaf DalVík en Akureyri) en via diverse excursievluchten te bereiken. Bezoekers kunnen een document kopen, waarop verklaard wordt dat zij de magische grens (de poolcirkel) zijn overgestoken. Het eiland is 5,3 km2 groot en heeft slechts 116 permanente inwoners. Via de Noordelijke kust [745], [76] EN [82] De hele route voert langs de kust, zij het dat voor sommige bezienswaardigheden even landinwaarts of via een omweg moet worden gereden. De afstanden die vermeld staan, zijn die van de kustroute. Voor andere bezienswaardigheden dient u de totale afstand zelf aan te passen. De afstand bedraagt 338 km en de reistijd is een hele dag. Blönduós, U kunt de stad op 2 manieren verlaten: via de hoofdwegen [1] en [74] of langs de kust via de 8 km lange [741]. Deze laatste is weliswaar 1 km langer, maar ligt vlak langs de Húnaflói. Skagaströnd, Deze plaats staat ook te boek onder de naam Höfdakaupstadur en is de belangrijkste havenplaats op Oost-Húnavatnssysla. Zowel Engelse als Duitse kooplieden handelden hier tot het jaar 1600. Toen het handelsembargo in 1602 werd uitgeroepen werd de stad een van de handelscentra. De meeste van de 700 inwoners werken in de visserij en hieraan gerelateerde beroepen. De kerk Skagastrandarkirkja is een perfect voorbeeld van de moderne, futuristische kerkbouw op IJsland. De berg Spákonufjall torent hoog boven de stad uit. Iets verder noordelijk rijdt u rond het merenrijke Skagaheidi. Króksbjarg, 10 km lange strook met kliffen van 40 tot 50 m hoog. KálfshamarsVík, Hier zijn beroemde basalten rotsformaties en een vuurtoren te bewonderen. Hafnir, Het noordwesten van dit schiereiland was een uitstekende leefplaats van zeehonden. Tegenwoordig komen ze steeds minder voor, maar op een mooie dag kunt u er nog een paar zien, die liggen te zonnen op het strand. Verder ook veel aangespoeld drijfhout. Víkur, Net als bij Hafnir liggen aan de kust bij deze boerderij soms zeehonden, maar ook veel aangespoeld drijfhout. Skagatá, Vanaf dit meest noordwestelijke punt van het schiereiland hebt u een mooi uitzicht over de Noordelijke IJszee. Ketubjörg, Een prachtige vogelklif waar u een goed uitzicht hebt over de Skagafjördur en de eilanden Drangey en Málmey. U vindt er tevens de overblijfselen van een oude haardstede. Drangey, Als u op zoek bent naar de ultieme vakantie-ervaring, geen hoogtevrees hebt en bereid bent een beetje klimwerk te verrichten, is er niets wat kan wedijveren met de trip naar dit historische vogeleiland. Het zicht over het stille water op de midzomernachtzon is hier van een adembenemende schoonheid. Gedurende de zomer is het mogelijk voor zowel groepen als individuele bezoekers om niet alleen een trip rond het eiland te maken, maar het ook te beklimmen. De reis erheen (met de boot vanaf Saudárkrókur) is fraai, net als het eiland zelf. Het kleine eiland bestaat uit steile kliffen van tufsteen en ligt in het midden van de baai van Skagafjördur. Maar het is zo speciaal, omdat het maar liefst 170 m loodrecht uit zee oprijst. Het is een paradijs voor vogelliefhebbers om hier omringd te zijn door een overvloed aan vogels, waaronder de bekende papegaaiduiker. Er wordt gezegd, dat Drangey de voedselbron vormde voor de bewoners rond Skagafjördur gedurende enige moeilijke jaren. Tegenwoordig is Drangey vooral bekend vanwege de Grettir Saga, die zich hier voor het grootste gedeelte afspeelde. In de 10e eeuw had Grettir de Sterke hier gedurende een aantal jaren zijn toevluchtsoord, waarvandaan hij zijn tegenstanders trotseerde. Saudárkrókur, Na Akureyri de tweede stad in het noorden. De stad begon in 1870 zijn bestaan als handelsstad, maar het is sinds 1947 een marktstad. Vooral de laatste tientallen jaren is de stad snel gegroeid en heeft op het ogenblik 2800 inwoners. Het hoofdberoep ligt, hoe kan het ook anders, in de visvangst en de visverwerkende industrie; verder is er wat industrie, handel en dienstverlening voor het omliggende district. De stad is volop in ontwikkeling; er komen steeds meer winkels en diensten. Op dit moment zijn er twee hotels, een verwarmd buitenzwembad met twee uitnodigende hotspots en een 9-holes golfbaan. Er is een camping in het centrum van de stad, vlak naast het zwembad en op korte afstand van de supermarkt. Saudárkrókur is een sportieve plaats, met een gedreven sportclub, waar voetbal en basketbal de belangrijkste teamsporten zijn. De hele stad wordt verwarmd door geothermische energie. Iedereen mag vanaf het strand van Saudárkrókur gratis op forel vissen. Tijdens heldere zomernachten kan het uitzicht op de eilanden Drangey en Málmey uitzonderlijk mooi zijn. Vanuit de haven wordt in het weekend een excursie van een halve dag verzorgd naar het vogeleiland Drangey, in het midden van deze fjord gelegen, waar ooit Grettir de Sterke als banneling gewoond heeft. 15 km ten zuiden van de stad ligt de turfboerderij Glaumbaer. Skagafjördur Beroemd district, rondom de gelijknamige fjord, vanwege zijn paarden en paardenfokkerijen. Nergens op IJsland zijn deze twee zo nauw met elkaar verbonden. Om de 2 weken zijn er demonstraties, waarbij de opmerkelijke vijf rijstijlen gedemonstreerd worden. Er zijn ontelbare mogelijkheden om paarden te huren of mee te doen aan de vele georganiseerde paardentochten, die in tijdsduur variëren van een uur tot een week. Wandelaars kunnen ook hun hart ophalen aan de vele uitgestippelde wandeltochten in dit district. Omdat het gebied vele unieke wandelmogelijkheden heeft, staan deze apart vermeld op pag. 379. In dit gebied liggen de boerderijen, die voor een deel de plaatsen waren van de meest taaie en langdurige familievetes uit de IJslandse historie, die in de 13e eeuw enorm hebben bijgedragen aan het ineenstorten van de ‘republiek’, de gouden eeuw uit IJslands bestaan. Het is het district met een rijke geschiedenis, zoals te lezen is in de Sturlunga Saga, die zich over het hele district heeft afgespeeld en in de Grettir Saga. Ook de gebeurtenissen tijdens de 800 jaar oude geschiedenis van Hólastadur hebben Skagafjördur berucht gemaakt. Afslag [767] naar Hólar, Als u geïnteresseerd bent in de oude cultuur en geschiedenis van IJsland, is een bezoek aan deze plaats bijna een verplichting. Het is een van de belangrijkste historische plaatsen, want het was van 1106 tot 1798 een van de twee bisdommen op IJsland. Gedurende deze 7 eeuwen verdiende Hólar het om de hoofdstad van het noorden genoemd te worden, voorzover het spirituele zaken, onderwijs en cultuur betrof. Tegenwoordig is het opnieuw een bisdom met een gewijde bisschop. De geheel uit zandsteen opgetrokken kathedraal werd in 1763 ingewijd en bezit een collectie vermaarde relikwieën. In 1988 werd de kathedraal volledig gerenoveerd. Naast de kathedraal staat een in 1950 ingezegend, 27 m hoog monument ter nagedachtenis aan bisschop Jón Arason, die 400 jaar daarvoor samen met zijn zonen onthoofd was. In de toren is een klein bedehuis met een graftombe, waarin hun stoffelijke resten zouden liggen. Interessant is een mozaïek in de toren, die Jón Arason voorstelt. Het is gemaakt door Erró, een van IJslands beroemdste eigentijdse artiesten. De plaats ligt in de vallei Hjaltadalur en is omgeven door hoge bergen, waardoor deze plek bekendstaat om zijn rustige weertype. Het dorp is trots op zijn landbouwkundige universiteit, die al sinds 1882 in Hólar staat. Bezoekers kunnen in dit dorp genieten van het restaurant, een zwembad en een prachtige camping, midden in het bos. Gröf, Een gebedshuis (Baenhúsid) van 3 bij 6 m. Men zegt dat dit de oudste kapel van het land is (1670-1680) en oorspronkelijk werd gebouwd als bidplaats voor de weduwen van de bisschoppen uit Hólar. Hofsós, Een dorp met 230 inwoners aan de oostkust van de Skagafjördur. Het is een van de oudste handelsposten van het land en ver-zorgt de dienstverlening voor de omliggende boerderijen. De meeste inwoners zijn werkzaam in de visindustrie, handel en land-bouw. Aan de kust zijn prachtige formaties basaltkolommen te vinden. Er is een koffieshop, genaamd Gamla Hótelid (het oude hotel), waar u dampendhete koffie met zelfgebakken brood kunt krijgen. Een van IJslands oudste pakhuizen (Pakkhúsid), daterend uit 1777 (de tijd van het Deense handelsmonopolie) is nog steeds te bezichtigen. Het is geheel gerestaureerd en heeft zijn vroegere waardigheid weer volledig terug. Het is een 12 bij 8,2 m grote originele houten hut. Het hout werd geïmporteerd, terwijl het al geheel op maat gemaakt was, naar een ontwerp van de Deense architect Johan Christian Suhr. In 1777 werd het door de Danish Royal Greenland Trading Company in elkaar gezet. Het is waarschijnlijk een van de 12 hutten, die oorspronkelijk bedoeld waren voor de walvisjagers op Groenland. Het diende eerst als handelspost en warenhuis voor handelaren van het oude Deense handelsmonopolie. De vorige eeuw is het warenhuis voor verschillende doeleinden gebruikt, zoals het drogen van vis en opslag van vlees en visgerei. Sinds 1952 staat het gebouw onder bescherming en bevat een verzameling relikwieën, die herinneren aan de visvangst en het bespieden van vogels op het eiland Drangey. Het gebouw is in de zomermaanden dagelijks geopend van 13.00 tot 19.00 uur. Bij Miklavatn (waar een rijk vogelleven heerst en u kunt vissen op forel) volgt de route de [76] en rijdt u naar het noorden om een bezoek te brengen aan Siglufjördur. Siglufjördur, Grote vissersplaats met 1740 inwoners, die in 1918 stadsrechten kreeg. In het begin van de vorige eeuw vormde de haringvangst de belangrijkste bron van inkomsten. De stad heette toen Thormódseyri ter ere van Thormódur Rammi (de Sterke), die hier de eerste kolonist was. Het is altijd een grote vissershaven geweest en tijdens de eerste helft van de 20e eeuw werd het de hoofdstad van de haringverwerkende industrie op IJsland genoemd, omdat het een van de beste havens aan de noordkust heeft. Tijdens deze hoge haringstand waren er 3000 inwoners en legden duizenden IJslandse en buitenlandse schepen in de haven aan. Het teruglopen van de haringstand was een enorme slag voor Siglufjördur, maar de stad heeft zich enigszins hersteld en tegenwoordig worden er ook andere soorten vis verwerkt. Een aantal visverwerkende fabrieken doet goede zaken, maar er is nu ook enige vorm van handel en wat andere industrieën. Er zijn ontelbare plaatsen om zich in de stad te vermaken en te genieten van de buitenlucht. Er is een overdekt sportcentrum, dat het gehele jaar geopend is, een golfbaan bij Hóll en een verwarmd zwembad met hotspots, sauna’s en zonnebanken om de vermoeide spieren weer een verjongingskuur te geven. Bovendien zijn er ten zuiden van de stad en in Hóll uitstekende skimogelijkheden, die tot de beste van het land gerekend mogen worden. Verder zijn er hotels, zomerhuisjes, mogelijkheden voor slaapzakaccommodatie, campings, restaurants, winkels, een bank, een postkantoor en zelfs een ziekenhuis. In het centrum bevindt zich de haven, de levensader van de gemeenschap. Er is in de haven altijd wel wat te beleven, het is beslist de moeite waard om tijdens het slenteren langs de haven niet alleen de zuivere lucht in te ademen, maar ook de vissers met hun kleine motorbootjes te zien binnenkomen. Wat cultuur betreft zijn er een haringmuseum, grote bibliotheek, plaatselijk archief en kunstgalerij. In de bibliotheek vindt u Bjarnastofa, ter nagedachtenis aan priester Bjarni Thorsteinsson, een musicus en een actief gemeentelid. Tijdens de ‘bank-holiday’ in augustus wordt er een festival gehouden ter herdenking aan de jaren met overvloedige haringvangsten en om de herinneringen aan die tijd opnieuw te beleven. De stad keert letterlijk terug naar die tijd en de kade staat stampvol met arbeiders die haringkaken, terwijl in de straat met veel muziek gedanst wordt. De midzomernachtzon is bijzonder fraai te zien vanaf Siglufjördur en op een rustige, heldere zomernacht is het uitzicht op het eiland Grímsey werkelijk onvergetelijk. Aan de zuidkant van de fjord is een klein, betoverend bos met paadjes, die zich tussen de bomen door slingeren. De vele wandelmogelijkheden worden apart besproken op pag. 380. Even ten zuiden van de stad begint een oude bergpas, die alleen ’s zomers met een jeep te berijden is. De pas loopt geheel in oost-westrichting en komt bij FljótaVík uit op de ‘normale’ weg [76] naar Siglufjördur. De lengte van de pas is ongeveer 15 km en hij ligt op 630 m hoogte, dus als u geen last van hoogtevrees hebt is deze rit over de pas een zeer avontuurlijke ervaring. Sinds er een 800 m lange tunnel (Strákagöng) door de Strákar ten noorden van de stad is gegraven, is deze bergpas niet meer in gebruik. Hierna rijdt u over dezelfde weg 25 km terug tot de [82] die u 19 km moet volgen. Lágheidi, 409 m hoge bergpas. Zelfs een leek kan overduidelijk zien dat het landschap door een gletsjer is uitgesleten, waardoor panoramische vergezichten geboden worden. Ólafsfjördur, Bedrijvig vissersdorp aan de kleine gelijknamige fjord. Tot het begin van de vorige eeuw werkten de meeste inwoners in de landbouw, maar tegenwoordig is die door de visindustrie ruim overvleugeld. Net voor 1900 ontstond de nederzetting. In 1905 kreeg het dorp handelsrechten en in 1944 werd het een zelfstandige stad. Er leven op dit moment 1200 inwoners. Ten noorden ligt de hoogste zeeklif van IJsland, Hvanndalabjarg, waar het gekraai van de zeevogels de hemel vult. Nog noordelijker ligt Hédinsfjördur, een opmerkelijk en mysterieus onbewoond fjord; een ideale plek om te vissen. De weg vanaf Siglufjördur via Lágheidi naar Ólafsfjördur is alleen in de zomer te berijden. Er is vrij recentelijk een kleine lan-dingsbaan aangelegd. Het meer ten zuidwesten van de stad, Ólafsfjardarvatn, heeft een lange, mysterieuze reputatie, niet het minst doordat er zowel zoet- als zoutwatervissen in zijn opgesloten. Hier en in de rivier Fjardará kan op zalm en forel gevist worden. In juni en juli gaat de zon niet onder en alle IJslanders zijn het er over eens: nergens anders kan de midzomernachtzon zo mooi aanschouwd worden als in Ólafsfjördur. Er worden cruises georganiseerd in de fjord en zijn omgeving. Er zijn bovendien maar weinig klimmers die de roep van de omliggende bergen, 1000 tot 1100 m hoog, kunnen weerstaan. Eenmaal op de top aangekomen kunt u genieten van het panoramische uitzicht over het schiereiland Tröllaskagi, tot aan Myvatn toe. Er is een uitstekend ornithologisch museum, waarin vele soorten vogels en ijsberen te zien zijn. Ook is er een strand met echt zand en verder zijn er een camping, een tennispark en een zwembad te vinden. ’s Winters zijn er skifaciliteiten voor zowel beginners als gevorderden. Maar ook ijsvissen in het bevroren meer en tochten met een sneeuwscooter behoren tot de mogelijkheden. De weg naar DalVík ligt op de hellingen van de 400 m hoge Ólafsfjardarmúli en het is dan ook een adembenemend hoge en steile route. De berg wordt gekenmerkt door loodrechte rotszones en met losse brokken steen bedekte hellingen. Hierdoor was de stad behoorlijk geïsoleerd van de omliggende plaatsen. Vanaf de weg hebt u een geweldig mooi uitzicht over de Eyjafjördur tot aan de oceaan. Dwars door deze berg loopt een 3400 m lange tunnel, de Múlagöng, die in 1990 gereed was. DalVík, Een welvarend vissersplaatsje met ongeveer 1500 inwoners. Eeuwen geleden stonden hier al vissershutjes, maar een blijvende nederzetting is het pas vlak voor het begin van de 20e eeuw geworden. Het dorp groeide slechts langzaam, want de havenfaciliteiten lieten nogal te wensen over, zodat grote boten de plaats niet konden aandoen. Het tij keerde toen vlak na de Tweede Wereldoorlog de nieuwe haven gebouwd werd. Er staat ook een visverwerkingsfabriek. Buiten de visindustrie is er ook enige vorm van handel, industrie en landbouw. DalVík heeft altijd een prominente plaats in de culturele geschiedenis ingenomen; in 1901, toen er pas 4 families leefden, werd er al een toneelstuk opgevoerd. Vanuit DalVík hebt u een mooi uitzicht op het eiland Hrísey. Afslag [808] naar Árskógssandur, Deze plaats met 110 inwoners ligt 2 km van de [82]. Hiervandaan vaart een veerboot in 15 minuten naar Hrísey. Hier staat sinds 2005 de eerste minibrouwerij van IJsland: Bruggsmidjan, waar bieren volgens Tsjechische receptuur gebrouwen worden. De flesjes Kaldi en Gullfoss zijn gemaakt met grondstoffen uit Tsjechië en puur IJslands water. Hrísey Dit 8 km2 grote eiland is het op een na grootste eiland in de IJslandse wateren. Het ligt, met in het zuidwesten een gelijknamig vissersdorpje met 280 inwoners, gerieflijk beschut in de Eyjafjördur, tegenover DalVík. Het is bij uitstek hét broedgebied van de sneeuwhoender. Vroeger was dit eiland het centrum van de haaienvangst. Het is een groen eiland, want het is vrij van natuurvernielende dieren, zoals minks, vossen en schapen, terwijl de grazende dieren al vele jaren niet meer vrij over het eiland lopen. Het rijke natuurgebied is extreem zuiver, waardoor er veel vogelsoorten te bekijken zijn. De sneeuwhoender heeft hier het hele jaar door zijn permanente verblijfplaats. Het noordelijke deel van het eiland is een vogelreservaat en is in particuliere handen. Bezoekers dienen van de eigenaar toestemming te hebben om het gebied te mogen betreden. Op een heldere zomeravond, wanneer de midzomernachtzon met roodgele stralen over het eiland schijnt, is dit een onvergetelijke ervaring voor liefhebbers van de vredige stilte van de natuur. Er zijn op het eiland veel verschillende strandsoorten te bewonderen, vooral aan de oostkust. Deze stranden worden begrensd door kliffen, die op sommige plaatsen grotten en andere rotsformaties bevatten. De bevolking heeft de straten van het dorp betegeld, waardoor dit de enige plaats op IJsland is, waar stenen worden gebruikt in plaats van asfalt. Even ten noorden van het dorpje ligt de gespecialiseerde boerderij Ystibaer, waar uit Schotland geïmporteerde Galloway-koeien worden gefokt. Hoewel deze boerderij om veterinaire redenen niet bezocht kan worden, kan het overheerlijke vlees in hotel Brekka worden geproefd. Nergens anders op IJsland is dit vlees te koop. In dit hotel kunnen ook fietsen gehuurd worden. Naast het gemeentehuis is de camping. Akureyri, Langs de Eyjafjördur rijdend komt u uiteindelijk aan het eindpunt van deze route.