De bevolking

Staatkundig In 930 werd het Althing (Algemene Vergadering) gevormd, dat iedere zomer gedurende twee weken bijeenkwam in Thingvellir en een groot gedeelte van de inwoners aantrok. Deze gevestigde orde stelde het zogenaamde IJslandse Gemenebest in, een republiek die bestond uit 39 onafhankelijke hoofdmannen en bleef bestaan tot 1262, toen IJsland onder Noorse heerschappij kwam. Na jaren onderdrukt te zijn door Noorwegen en Denemarken werd in 1843 het Althing opnieuw ingesteld als een adviserend lichaam. In 1874, toen IJsland zijn 1000-jarige kolonisatie vierde, kreeg het van de Deense koning een grondwet en het beheer over zijn eigen financiën. In 1904 kreeg IJsland zelfbestuur en in 1918 onafhankelijkheid, maar het bleef onder het Deense koningshuis verenigd met Denemarken. Op 17 juni 1944, de geboortedag van de grote vrijheidsstrijder Jón Sigurdsson, werd in Thingvellir officieel de republiek IJsland uitgeroepen. Politieke systeem IJsland heeft een parlementair systeem. De uitvoerende macht berust bij de president van de republiek en de regering. De ministeries zijn in handen van de ministerraad. De wetgevende macht ligt bij de president en het Althing. De rechterlijke macht ligt bij de lagere rechtbanken en de Hoge Raad. Iedere 4 jaar worden verkiezingen gehouden, waaraan alle inwoners ouder dan 18 jaar mogen meedoen. De president wordt via een directe verkiezing gekozen. Tot nu toe zijn er 5 presidenten geweest, Sveinn Björnsson (1881-1952) van 1944-1952, Ásgeir Ásgeirsson (1894-1972) van 1952-1968, Kristján Eldjárn (1916-1982) van 1968-1980 en Vigdís Finnbogadóttir (1930-) van 1980-1996. Vigdís was de eerste vrouw ter wereld die met algemene stemmen gekozen werd tot staatshoofd. Naar aanleiding van de verkiezingen op 29 juni 1996 werd vanaf 1 augustus 1996 de socialist Ólafur Grímsson (1943-) president. Hij was in een eerder kabinet minister van Financiën. Voordat hij werd gekozen was hij professor in de politieke wetenschappen aan de Universiteit van Reykjavík en lid van het parlement. Twee jaar na zijn verkiezing overleed op 12 oktober 1998 zijn vrouw, First Lady Gudrún Katrín Thorbergsdóttir (geb. 14-9-1934), aan de gevolgen van acute leukemie. Op 21 oktober kreeg zij een staatsbegrafenis. Sinds 1987 bestaat het Althing uit 63 leden. Verkiezingen zijn gebaseerd op evenredige stemverhoudingen, waarbij iedere partij een kandidatenlijst opstelt voor alle of enkele van de 8 kiesdistricten. Volgens de respectieve gewestelijke stemming, worden 37 leden direct gekozen door de regionale kiesdistricten met 5 of 6 afgevaardigden en 12 door het hoofdstedelijke kiesdistrict. De overige 14 zetels worden over de partijen verdeeld om verschillen in de bevolkingsdichtheid tussen de kiesdistricten goed te maken, zodat hun totale parlementaire inspraak redelijk overeenkomt met hun aandeel op nationaal niveau. Het Althing komt sinds 1991 samen als enkelvoudige kamer, onder leiding van een voorzitter, die uit de rijen van de regeringspartijen afkomstig is. Het presidentschap wordt beschouwd als symbool van nationale eenheid en de president is niet verwikkeld in partijpolitiek of direct betrokken bij de dagelijkse politieke kwesties. Iedere wijziging betreffende de staatskerk van IJsland moet onderworpen worden aan een referendum. Er staan 10 kabinetsministers aan het hoofd van 13 ministeries, met inbegrip van het kantoor van de president.