Drogere rots of grindrijke gronden

Ook hier geldt dat er geen strikte scheiding is met heidegebieden en graslanden. Karakteristiek voor dit soort gebieden is het Engels gras (Armeria maritima – een bekend rotstuinplantje met roze bloemetjes op steeltjes vanuit polvormige plantjes) en de achtster (Dryas octopetala). De laatste is een laagblijvende min of meer zodenvormende plant met kleine varenachtige blaadjes. In bloei valt zij zeer op door haar grote witte bloemen en de vele gele helmdraden. Ook na de bloei valt zij op doordat de vruchten zich ontwikkelen met lange haren die een spiraalachtig mutsje vormen. Ook karakteristiek zijn de lage matjes van paarsbloeiende arctische kruiptijm (Thymus praecox ssp. arcticus) en de opvallend bolvormige matten met roze bloempjes van de stengelloze silene (Silene acaulis). Verder is de éénbloemige silene (Silene uniflora) heel karakteristiek: een kruipplant die herkenbaar is aan de opgeblazen kelken. In de opgeblazen kelkbladen worden soms insecten gevangen waardoor men zou kunnen denken dat het een ‘vleesetend’ plantje is. Dat is echter niet zo.

Naast deze soorten die overal wel te vinden zijn (m.u.v. de gletsjers uiteraard) komt er nog een hele serie soorten voor in dit soort gebieden. Zo is er een aantal steenbreeksoorten (Saxifraga sp Latijn: Saxum = steen, frangere = breken), maar let op: er zijn ook steenbreeksoorten die in heel andere milieus voorkomen. De zodensteenbreek (S. caespitosa) is wel de meest algemene soort. Het is een klein witbloemig plantje. In dit soort milieus komen echter zeer veel kleine witbloemige plantjes voor van zowel de steenbreekfamilie als de anjerfamilie (muurachtige soorten).

Vrouwenmantels komen in deze gebieden vooral voor op min of meer beschutte plekken. Er zijn er drie: de spitslobbige vrouwenmantel (Alchemilla vulgaris), de alpenvrouwenmantel (A. alpina) en de Færöer-vrouwenmantel (A. færoënsis). De eerste twee zijn algemeen terwijl de laatste alleen op Oost-IJsland en de Færöer eilanden voorkomt. Een veel kleiner maar toch opvallend plantje is de rotsereprijs (Veronica fruticans). Zij valt op door staalblauwe bloemetjes met een wit hartje omgeven door een rood bandje.

Opvallende geelbloemige soorten in deze gebieden zijn de donzige ganzerik (Potentilla crantzii) en de gele klaproos (Papaver radicatum). Soorten die echt karakteristiek zijn voor de graslanden komen niet of nauwelijks voor in de hooglanden. Soorten die in de open drogere en/of grindrijke gronden in het laagland voorkomen zijn in de regel ook wel te vinden in de hooglanden. Wel zijn er soorten die wel in de hooglanden voorkomen maar niet of weinig in de laaglanden. Een voorbeeld daarvan is de moscassiope (Cassiope hypnoides). Het is een over de rotsen kruipend plantje met mosachtige blaadjes. In bloei valt zij pas op door vele kleine witte klokbloemetjes op relatief lange rode steeltjes. Ook kan men verschillende wolfsklauwen vinden: op forse mossen lijkende primitieve varens die zich kruipend over de grond bewegen. Afhankelijk van de specifieke soort vertakken zij zich en vormen korte omhooggroeiende takken. Andere kleinere soorten die algemeen voorkomen in droge kiezelrijke gebieden zijn vetkruidsoorten (Sedum) en de alpenkoekoeksbloem (Lychnis alpina). De laatste is zo’n 10 tot 15 cm hoog en valt op door de hoofdjes met roze bloemetjes.

Gerelateerde onderwerpen

  • Soorten van vochtige plaatsen

    Scheuchzer's wollegras
    Een van de meest opvallende planten in dit milieu is de geelbloemige dotterbloem (Caltha palustris). Deze forse plant (30 cm, bloemen 4 cm) ziet men ook veel...
  • Zandgebieden

    Grote engelwortel
    Als er iets is wat indruk maakt op de meeste Nederlandse toeristen zijn het wel de uitgestrekte zandgebieden die totaal onbegroeid lijken. In de binnenlanden...