Höfn – Vík

De afstand bedraagt 280 km en de reistijd minimaal 16 uur, inclusief fotostops en wandelingen. Er kunnen dus beter twee dagen voor worden uitgetrokken, met een overnachting in Skaftagell. Höfn, Het begin van een route langs witte hellingen en door grote sanders. Afslag [F985] naar Smyrlabjörg, Een kilometer vanaf de weg ligt het in 1969 gebouwde waterkrachtstation Smyrlabjargarvirkjun, dat slechts 10 megawatt vermogen levert. Hier begint een spectaculair 16 km lang pad, uitsluitend door 4x4-automobielen in een uur te rijden, naar de Skálafellsjökull. Vanaf deze gletsjerbergkam zijn schitterende vergezichten op de fantastische omgeving mogelijk. Op 840 m hoogte ligt Hálsasker, waar aan de rand van de Skálafellsjökull de nieuwe berghut Jöklasel staat. Er is een restaurant voor 80-90 personen en slaapzakaccommodatie voor 20-30 mensen. Verder zijn er mogelijkheden om etenswaren aan te schaffen. Vanaf deze berghut worden van 1 juni tot 10 september dagelijks excursies gemaakt over de gletsjer. De meest gebruikelijke tocht is per sneeuwmobiel en duurt 2 uur. Hij voert via het op 1128 m hoogte gelegen Midfellsegg en Birnudalstindar (1250 m) naar Grjótabotn. Dezelfde tocht kan ook per snowcat gemaakt worden; deze duurt 1 uur. Wanneer de groep uit minimaal 15 personen bestaat, kan (wel eerst bestellen) op de gletsjer van zeebanket genoten worden. Jökulsárlón, Een ruim 200 m diepe gletsjerlagune aan de oostkant van de 16 km lange Breidamerkursandur. Men waant zich hier in een totaal andere wereld. Het decor van dit toverlandschap wordt gevormd door de 20 km brede Breidamerkurjökull, die 5 m per dag het meer inglijdt. Door het voortdurend afkalven van deze tong ontstaan de prachtig gevormde ijsbergen die in deze lagune ronddrijven. Ze hebben ongeveer een jaar nodig om de open oceaan te bereiken. De lagune is pas de vorige eeuw ontstaan, doordat de gletsjer zich door het steeds warmer wordende klimaat steeds verder terugtrok. De 1000 jaar oude gigantische brokken lijken met roet besmeurd, net als de gletsjertong zelf. In werkelijkheid gaat het om modder die door het grondijs wordt weggedrukt en opgestuwd. De ijsbergen hebben de meest ingewikkelde en indrukwekkende vormen. Ook al zou de tijd het bijna niet toelaten, u moet hier beslist een tocht over het meer maken met een van de amfibievoertuigen, waarbij er uitstekende mogelijkheden zijn om unieke foto’s te maken. De duur van een boottocht is ongeveer 40 minuten en kost ca. 2300 kronen. Voor meer informatie kunt u kijken op www.jokulsarlon.is of bellen met 478.22.22. Er is een uitspanning, waar u heerlijke warme waffles (pannenkoek met slagroom en jam) kunt eten. Ten zuiden van dit meer kunnen aan beide zijden van de ringweg interessante wandeltochten gemaakt worden. Het is een vredig landschap in een wilde en onbewoonbare omgeving. Ten zuiden van de ringweg huist een van de grootste kolonies van grote jagers ter wereld. De verbinding tussen het meer en de oceaan wordt ieder jaar iets breder, waardoor de verbindingsbrug, waarover de ringweg loopt, sterk in haar voortbestaan bedreigd wordt. Fjallslón, Een kleinere uitgave van het Jökulsárlón, waar u veel dichter bij de gletsjertong kunt komen. Zeer interessant zijn de goed zichtbare morenen. Afslag [988] naar Ingólfshöfdi, Bij de halteplaats Fagurhólsmyri staat een benzinestation met reparatiewerkplaats, waar uitgerust kan worden voordat u het uitgestrekte landschap van Öraefasveit in gaat. Hiervandaan kunt u de hoogste top van IJsland zien, de 2119 m hoge Hvannadalshnúkur. 10 km zuidelijker ligt Ingólfshöfdi, een 76 m hoog rotseiland, 1200 m lang en 750 m breed. Er zijn duizenden broedende zeevogels te bewonderen, vooral papegaaiduikers en grote jagers zijn volop aanwezig. Er staat een vuurtoren en een gedenksteen voor de eerste kolonist, de Noorse Viking Ingólfur Arnarson, die hier voet aan wal zette en er zijn eerste IJslandse winter doorbracht. Naar hem is uiteraard het eiland vernoemd. Vandaag de dag is het gebied tussen het vasteland en Ingólfshöfdi drooggevallen en is ook de noordkant van het rotseiland bedekt met een dikke laag vulkaanzand. Binnen afzienbare tijd zal waarschijnlijk het hele eiland op deze manier aan het zicht onttrokken zijn. Op verzoek kunt u op een boerenkar die achter een tractor wordt gekoppeld, naar de rots. Onderweg wordt u weliswaar gezandstraald door de felle zandwinden, maar eenmaal aangekomen blijkt deze teistering door de natuur meer dan de moeite waard geweest te zijn. In volstrekte eenzaamheid kunt u de vele vogels van zeer nabij bespieden en menigmaal vangt de boer een papegaaiduiker om hem van dichtbij te laten fotograferen. Öraefi, Het vogelleven is kleurrijk en de streek gaat er prat op de grootste broedgebieden van de grote jager te hebben. Voor de eruptie van de vulkaan Öraefi in 1362 was er vruchtbare landbouwgrond in de laaglanden, nu zijn er uitgestrekte woestenijen. Daarom wordt dit district ook wel ‘het land tussen de wildernis’ genoemd. Er zijn veel interessante zaken te bezoeken: het Nationale Park Skaftafell met de waterval Svartifoss, Lambhagi, Morsárdalur, Baejarstadarskógur en een schitterend uitzicht over de gletsjers. Hof, Plaatsje waar een grote, modern verbouwde boerderij staat waar groepen overnachten tijdens de vele rondreizen. De boerderij, genaamd Austerhús, wordt beheerd door Sigrún Saemundsdóttir en Ari Magnósson met hun drie dochters. Het is een kleine boerengemeenschap voor de helling van de Öraefajökull, waarvan de 2119 m hoge Hvannadalshnúkur de hoogste berg van IJsland is. Hij bestaat uit een groep van 5 boerderijen, die ieder door haar eigen naam wordt geïdentificeerd. U vindt hier de opgegraven ruïnes van een in 1362 bedolven boerderij, een school, een gemeenschapsruimte en een in 1884 gebouwde turfkerk, die onder het beheer staat van het Nationale Museum. De kerk is nog steeds in gebruik door de gemeente; Öraefi heeft al sinds de 14e eeuw zijn eigen kerk. Het fokken van schapen is de voornaamste bezigheid, samen met de aardappelteelt en het toerisme. Hof biedt de bezoeker prachtige wandelroutes tot aan de bergen en de gletsjer. Vanaf het 8 km noordelijker gelegen Sandfell, een nu verlaten boerderij, komt u bij de wandelroute die helemaal tot de top van de Vatnajökull leidt. Svínafellsjökull, Gletsjertong van de Vatnajökull. Doordat een weg tot aan de gletsjer voert, kan deze gletsjertong beklommen worden, maar het is verraderlijk glad en kan het einde van de vakantie betekenen. Tussen de stenen, vlak voor de gletsjer liggen echte kristallen. Skaftafell, Een uniek groen en bebost natuurgebied aan de voet van de Vatnajökull. Het is een nationaal park, bekend van de waterval Svartifoss en de vulkaan Grímsvötn. Het gehele park is een aaneenschakeling van ogenschijnlijk onmogelijke natuurcontrasten. Torenhoog oprijzende bergen, imposante gletsjers, ravijnen met heldere beekjes en prachtige watervallen, berkenbossen, een wilde bloemenpracht en een weelderige vegetatie. Rondom in de bergen lopen duidelijke en minder duidelijke voetpaden. Er zijn verschillende routes, zodat iedereen de mogelijkheid heeft een route te kiezen die voor hem of haar geschikt is. Een wandeling over deze paden en tussen de ravijnen door is een must voor iedere bezoeker om zicht op de watervallen te hebben. De meest koninklijke waterval is de Svartifoss, die zich over een muur van symmetrische basaltzuilen stort, waardoor men het idee krijgt tegenover indrukwekkende orgelpijpen te staan. Deze basaltkolommen hebben model gestaan voor de decoraties in het Nationaal Theater van Reykjavík. De elegante en lieflijke waterval wordt ook wel de ‘zwarte’ waterval genoemd. U kunt vele adembenemende wandeltochten maken, maar om van de natuur ten volle te genieten zou u een aantal dagen op de camping moeten blijven. Er zijn geen wegen in het park, op de paden na die naar de boerderijen voeren. Parkeerruimte ligt naast de camping en hier beginnen ook de paden die door het nationale park voeren. Bezoekers mogen overal heen, maar wordt geadviseerd alleen van de gemarkeerde paden gebruik te maken. Een beschrijving van de vele wandelroutes staat op pag. 377. Skaftafell werd op 15 september 1967 tot nationaal park verklaard; het had toen een oppervlakte van 500 km2. Op 27 juli 1984 werd het park vergroot tot zijn huidige 1700 km2. Landschap en natuur Het landschap van Skaftafell werd gevormd door de krachten van gletsjers en erosie door water. De valleigletsjers Skeidarárjökull, Morsárjökull en Skaftafellsjökull trekken prominent de aandacht in dit landschap, terwijl de rivieren Skeidará, Morsá en Skaftafellsá uit deze gletsjers ontspringen. De Skeidará is de diepste en gevaarlijkste van de drie en was een van de moeilijkste hindernissen tijdens tochten, totdat hij in 1974 werd overbrugd. Het gebied staat bekend om zijn grote overstromingen (jökulhlaup), die veroorzaakt worden door de vulkanische activiteit en geothermische warmte onder de ijskap in het Grímsvötngebied. Het gebied Skaftafell mag zich verheugen in een beter klimaat dan veel andere plaatsen op IJsland. Het is er soms veel warmer dan in naburige districten, doordat het beschut wordt door de Öraefajökull. De vegetatie is enorm gevarieerd; de berghellingen zijn bedekt door berkenbossen, die op sommige plaatsen onderbroken worden door lijsterbessen. De berkenbomen in Baejarstadarskógur zijn langer dan in de meeste andere plaatsen op IJsland. De hazelaar en de gele saxifraga komen veel voor, naast de meer algemeen voorkomende planten van Oost-IJsland. De vegetatie is enorm veranderd sinds het grazen niet meer werd toegestaan in het nationale park. De grond van de morenen aan de voorkant van de Skaftafellsjökull en in Morsárdalur wordt steeds meer begroeid en plantjes, die nauwelijks te vinden zijn op grasland (zoals de engelwortel), behoren hier tot de normaal voorkomende planten. Berken en wilgen komen ook langzaam maar zeker voor op de morenen, terwijl het aantal bomen en struikgewassen op de hellingen ook vermeerdert. Het aantal insecten is ook veel gevarieerder dan in andere delen van IJsland, en in midzomer kunt u genieten van grote hoeveelheden vlinders. Er leven opmerkelijk veel vogels op de beboste hellingen, waarvan de koperwiek, watersnip, graspieper en het winterkoninkje de meest voorkomende exemplaren zijn. Skeidarársandur is tevens een van de belangrijkste broedplaatsen van de grote jager. Het aantal vossen in Skaftafell neemt toe, terwijl het aantal minks betrekkelijk laag is. Skeidarársandur, Deze 30 km lange, 20 km brede en 1000 km2 grote spoelzandvlakte is de grootste sander van IJsland. De vlakte is ontstaan door afgezet en meegesleurd zand, stenen en grind door de gletsjers en door vulkanische activiteit onder de ijskap van de Vatnajökull. Ook ligt hier de langste brug van IJsland, die met een lengte van 904 m de moeilijk te controleren Skeidará overbrugt. Het is pas op 14 juli 1974 gelukt om deze laatste permanente overbrugging te realiseren, waardoor de ringweg voltooid was, precies op tijd voor de viering van het 1100-jarig bestaan van de IJslandse kolonisatie. Door de uitbarsting in 1996 werd dit deel van de ringweg enige weken onbruikbaar. Zie ‘vulkaanuitbarstingen’ voor een beschrijving. Doordat de stroomloop van o.a. de Skeidará en de Sandgígjukvísl door het leggen van lange dijken is gewijzigd, ligt nu een deel van de sander permanent droog. Hierdoor is het aanzicht van deze vlakte danig veranderd en is er tegenwoordig zelfs plantengroei waar te nemen. In 1666 is hier het Nederlandse schip ‘Het Waapen van Amsterdam’ gestrand. Lómagnúpur, Iets ten noorden van de ringweg staat deze indrukwekkende, 668 m hoge steile rots, die ooit uit zee oprees. Núpsstadur, Een oude boerderij met een charmant kapelletje uit de 17e eeuw. Het kerkje biedt plaats aan 8 personen, een organist en de predikant. De entree is weliswaar gratis, maar er wordt van de bezoekers verwacht, dat zij een vrijwillige bijdrage deponeren in de daarvoor opgestelde kist. U hebt hier een fraai uitzicht op de Lómagnúpur. Dverghamrar, De ‘dwergkliffen’. Twee kolomvormige basaltkliffen. Iets verder ligt de waterval Foss á Sídu. Afslag [203] naar Kirkjugólf, Na 500 m komt u op deze weg aan de linkerhand een groot aantal basaltkolommen tegen, waarvan de bovenkant gelijkligt met de grond. Hierdoor lijkt het alsof men over een kerkvloer, de letterlijke betekenis van Kirkjugólf, loopt. 300 m verder op de [203] ligt heel idyllisch bij een waterval in de Stjörn [203] de officiële camping Kleifar. Kirkjubaejarklaustur, Stadje (150 inwoners) met veel historische plekken, in een gebied vol natuurlijke schoonheid en een schilderachtig landschap, waardoor het aantal bezoekers flink groeit. Ook speelt mee dat het er opvallend vaak mooi weer is! Het is de enige stad en derhalve het dienstencentrum van de gehele Skaftá-regio, die zich uitstrekt tussen de twee zandvlaktes van de Myrdalssandur in het westen en de Skeidarársandur-delta in het oosten. Er is een enorme verscheidenheid aan reisaccommodaties aanwezig, zoals een hotel, dat het gehele jaar geopend is, en in de omgeving een aantal boerderijen waar u langere tijd kunt verblijven. Er zijn een snackbar, meerdere banken en een postkantoor. Van 15 juni tot 15 augustus is er een speciaal reisbureau geopend. Tot de vrijetijdsbestedingen behoren een zwembad (bij het hotel) en een 9-holes golfbaan net buiten de stad. Er zijn ook vergunningen te koop om in een groot aantal rivieren en meren te kunnen vissen. Er worden diverse tochten georganiseerd, waardoor u onder leiding van een ervaren gids de Laki-kraters kunt bewonderen, of een bezoek kunt brengen aan de bossen van Núpsstadarskógur, een van de mooiste plekjes van de regio. Verder zijn er rondom de plaats zelf talloze wandeltochten gemarkeerd. Iets meer landinwaarts ligt de kloof Fjadrárgljúfur. Pater Jón Steingrímsson diende hier als pastoor aan het einde van de 18e eeuw. Hij schreef een ooggetuigenverslag van de rampen die door de spleetuitbarsting van de Lakagígar plaatsvonden, maar bij zijn landgenoten is hij bekender geworden doordat hij de aanstormende lava vlak voor de kerk wist te stoppen door het houden van een vurige preek. Vroeger stond hier een nonnenklooster (klaustur), wat nog blijkt uit namen als Systrastapi, Systrafoss en Systravatn wat respectievelijk kaap, waterval en meer van de zusters betekent. Volgens de overlevering hebben hier altijd christenen gewoond. Voordat de Vikingen in deze nederzetting kwamen wonen, waren de inwoners van Ierse afkomst (Ierse monniken, papar) en de eerste Noorse bewoner was de christen Ketill Fíflski, een neef van Audur uit de Laxdaela Saga. Landbrotshólar, 2 km voor de afslag van de [206] ligt net ten zuiden van de ringweg een aantal pseudokraters. De [F206] voert naar spleetvulkaan Lakagígar, een route die later besproken wordt. Eldhraun, Het grootste lavaveld dat ooit uit één vulkaan ontsprongen is. Het ontstond in 1783 gedurende een 7 maanden durende uitbarsting van de 24 km lange spleetvulkaan Lakagígar. Afslag [206] naar Fjadrárgljúfur en Lakagígar, Fjadrárgljúfur is een van de mooiste canyons van het land. Ondanks de makkelijke bereikbaarheid is deze canyon nauwelijks bekend en het is (was…) er dan ook meestal erg rustig. Het is een beschermd gebied. Afslag [208] naar Eldgjá, Hier begint de binnenlandroute [F208] die via de Eldgjá naar Landmannalaugar voert. Ook deze route wordt later besproken. Afslag naar Hjörleifshöfdi, 221 m hoge klif ten zuiden van de ringweg, waar een der eerste kolonisten heeft overwinterd. Na het kruisen van de gletsjerdelta Múlakvísl komt u aan in Vík, Het meest zuidelijk gelegen dorp op het vasteland. Hoewel het IJslands enige kustplaats is die géén haven heeft, is er plaatselijk toch wat visindustrie, dankzij enige boten die ook worden gebruikt voor toeristische cruises. De meeste van de 330 inwoners leven van de handel, industrie en dienstverlening aan het landbouwgebied. Vík was vroeger een vissersdorp, maar door de slechte havenvoorzieningen die bovendien steeds slechter werden, kwam een eind aan de visserij. Aan de oostkant van de plaats vindt u een interessante wolfabriek, waar bezoekers de fabricage kunnen bewonderen. Vanzelfsprekend zijn al deze wollen goederen hier ook te koop. Zowel Vík zelf, als de naburige kustlijn en de omringende bergen zijn enorm contrastrijk. Het strand ten zuiden van Vík werd in 1991 genoemd bij de 10 mooiste eilandstranden ter wereld door het blad Islands Magazine. Hoog boven het dorp torent de 700 km2 grote gletsjer Myrdalsjökull. Energieke wandelaars zullen ongetwijfeld aangetrokken worden door de heideachtige velden en heuvels aan de voet van de gletsjer. Aan de dichtbij zijnde kust vormen de kolomvormige basalten kliffen en grotten een trekpleister. De stad ligt in het Myrdalur, het dal met het slechtste weer van IJsland. Maar het dal heeft meer nadelen dan alleen het altijd slechte weer. Als de nabijgelegen vulkaan Katla uitbarst en de Myrdalsjökull in beweging zet, wordt het dorpje bedolven onder lava en ijs. Minstens één keer per jaar worden de wegen rond Vík afgesloten, omdat men denkt dat het moment daar is. Ook de zee rukt langzaam op, elk jaar een hap lavastrand verzwelgend. Myrdalsjökull Deze vierde gletsjer van IJsland, 1450 m hoog en 700 km2 groot ligt ten noorden van Vík. De 1000 m dikke ijskap heeft talrijke gevaarlijke gletsjerspleten en alsof dat nog niet genoeg is, verbergt zich onder het zuidoostelijke deel van het ijspantser de uiterst explosieve vulkaan Katla, waardoor zich de nodige smeltkloven en kraters in het ijs hebben gevormd. Men verwacht al decennialang een eruptie, want de Katla is in 1918 voor het laatst uitgebarsten, terwijl er 20 waargenomen uitbarstingen bekend zijn; een gemiddelde van 2 erupties per eeuw. Uitbarstingen onder een gletsjer doen het ijs smelten, waardoor er een onwaarschijnlijk grote hoeveelheid water over het land naar het zuiden stroomt. De hoeveelheid water kan die van de Zuid-Amerikaanse Amazonerivier evenaren. Het spreekt voor zich dat dergelijke overstromingen een enorm risico inhouden voor bewoners, vee, land en gebouwen, die het water op zijn weg vindt. Er liggen dan ook gedetailleerde plannen klaar voor reddingsoperaties mocht de gletsjer ooit openbarsten. Door onderaardse uitbarstingen hebben zich hier enorme hoeveelheden zwart vulkaanzand gevormd. Men mag wel zeggen dat de gletsjer een eigen onvoorspelbaar klimaat heeft, want gelegen aan de Atlantische kust valt in dit gebied jaarlijks meer neerslag dan op enige andere plek op IJsland: ruim 8000 mm in de vorm van regen, hagel en sneeuw. Dat is ruwweg tienmaal zoveel als in De Bilt. Er kunnen sneeuwmobielen gehuurd worden, terwijl er ook wandeltochten op de gletsjer worden georganiseerd. ’s Zomers is er een skilift in bedrijf. Myrdalur Dit dal wordt hoofdzakelijk gebruikt als landbouwgebied, maar er is ook een belangrijke vorm van dienstverlenende industrie. Verhoudingsgewijs zijn de natuurlijke contrasten ongewoon sterk te noemen. Het slechte weer en deze contrasten zorgen ervoor, dat er vruchtbare grond is ontstaan, waarop een uniek milieu-initiatief ontstond: de Organische Gemeenschap. De belangrijkste onderwerpen van dit project zijn de promotie van organische landbouw, natuurbehoud en ecologieversterkende ontwikkelingen.