Landdieren

IJslander
IJslander

Toen de Vikingen in 874 op IJsland aankwamen hadden ze twee soorten levende bagage uit hun vaderland meegenomen, die tot de dag van vandaag uniek binnen de dierenwereld zijn gebleven. Dat waren de IJslandse pony en het IJslandse schaap, die beide op hun eigen manier bijna net zo’n grote invloed op de geschiedenis en ontwikkeling van het land hebben gehad als de mens zelf. Zoals het paard een transportmiddel was en ook als arbeidskracht gebruikt werd, zo namen de schapen een sleutelpositie in wat betreft de overlevingskansen van het volk: hun vlees voorzag vele generaties IJslanders van eten en hun wol beschermde ze tegen de bittere koude van het harde noordelijke klimaat. Zonder deze dieren zou IJsland onbewoonbaar zijn geweest.

Paarden

Paardrijden was eeuwenlang een noodzakelijke vaardigheid, toen dit vrijwel de enige vorm van vervoer was in de overwegend landelijke samenleving. Tegenwoordig is het een van de snelst groeiende vrijetijdsbestedingen op IJsland, met een geschat aantal van 80.000 paarden in stallen, die over het hele land verspreid liggen. Toen de Vikingen zo’n 1000 jaar geleden voor de eerste keer naar IJsland kwamen, namen zij hun eigen paarden mee en sindsdien zijn er geen paarden meer ingevoerd. Ze zijn klein maar sterk en bovendien vriendelijk, tredzeker, intelligent, buitengewoon bereidwillig, handelbaar en bezorgen hun bereiders nauwelijks problemen.

Een doorsnee-paard zal een zware berijder dag in dag uit blijven torsen, niet alleen over simpele weiden, maar ook bergop- en bergafwaarts over rotsen, door rivieren en door ruwe lavavelden. Het stoere IJslandse paard (ijslander) staat niet alleen bekend om zijn vriendelijke karakter, maar bovendien omdat de meeste een unieke manier van rennen beheersen: de tölt, een gang waarbij de ruiter niet, zoals bij draf, uit het zadel wordt opgegooid. De in het wild levende paarden schrikken absoluut niet van het lawaai van het verkeer; zij lijken zich er volledig mee verzoend te hebben dat de auto hen van een transportmiddel tot een hobbydier gedegradeerd heeft.

De IJslandse gangen: snelheid en comfort

Het zal niemand verbazen, dat een ijslander net als ieder ander paard in de drie basisgangen stap, draf en galop kan gaan. Interessanter wordt het als men ontdekt, dat een ijslander zich in vier en soms zelfs in vijf verschillende gangen kan voortbewegen. Deze extra gangen heten tölt en telgang. Het zijn natuurlijke gangen die veulens van enkele uren oud al tonen. Niet in de laatste plaats door zijn gangenaanleg verovert de ijslander langzaam maar zeker terrein buiten zijn geboorte-eiland. Het duidelijkst kunt u de gangen van een IJslands paard schematisch voorstellen aan de hand van de volgorde waarin de hoeven worden opgetild en neergezet.

fet of stap

Het IJslandse paard heeft een snelle stap. Verder verschilt deze gang niet met die van andere paardenrassen. De benen worden een voor een opgetild en weer neergezet in de volgorde linksachter, linksvoor, rechtsachter, rechtsvoor.

Op de verharde renbaan hoort men een duidelijke viertakt (vierslagritme).

brok of drafbrokk of draf

Hoewel deze gang bij de meeste ijslanders tamelijk ‘vlak’ is (en daardoor makkelijk uit te zitten), is de draf gelijk aan die van andere rassen. Het paard tilt telkens een diagonaal benenpaar op: linksachter + rechtsvoor, gevolgd door rechtsachter + linksvoor, met daar tussenin een zweefmoment.

U hoort dus een tweetaktritme.

stökk of galopstökk of galop

Deze gang is voor alle paardenrassen de snelste gang. Over het algemeen is de galop van een ijslander wat minder ‘gesprongen’ dan bij de meeste andere rassen. De beenzetting produceert de hoorbare ‘kataklop-kataklop’. Het record op 250 m staat op 17,3 sec. (52 km/u).

tölt

De beenzetting van de tölt lijkt op de stap en wordt daarom ook wel vergeleken met snelwandelen. Omdat een zweefmoment (zoals bij de draf) ontbreekt, zit deze gang zeer comfortabel. töltBij een goede tölt kan men het tempo variëren van een vlotte stap tot een flinke galop, terwijl de ruiter vrijwel onbeweeglijk in het zadel zit. In ludieke ijslandershows wordt dit comfort gedemonstreerd door ruiters, die al töltend de krant lezen of met volle bierpullen het vuur uit de hoeven tölten zonder een druppel te morsen! Het paard loopt in deze gang sterk verzameld en opgericht, hoofd en hals worden hoog gedragen. Er ontstaat een trotse beweging, die versterkt wordt door het ritmisch meedansen van de staart.

Bij een zuiver gelopen tölt hoort men een snelle, regelmatige viertakt. Het vereist echter wel enige oefening, want het is een bijzonder ongewone tred.

Skeid of telgang - gang van een IJslands paardskeid of telgang (pass-pace in het Engels)

Deze gang is vast wel bekend van kamelen en sommige hondenrassen. Hierbij wordt beurtelings het rechter- en linkerbenenpaar (lateraal) opgetild, met ertussenin een zweefmoment. Bij ijslanders kan men letterlijk van een vijfde versnelling spreken: door de enorme snelheid en stuwing krijgt men als ruiter het gevoel dat het paard ‘opstijgt’. Deze gang wordt voornamelijk in snelheidsonderdelen gereden. Deze gang eist grote ervaring. Het record op 250 m staat op 21,4 seconden (42 km per uur).

Meer informatie kan worden aangevraagd bij het Nederlands Stamboek voor IJslandse Paarden (NSIJP), Postbus 84, 8430 AB Oosterwolde, internet: www.nsijp.nl.

Schapen

IJslandse schapenHoog in de heuvels, in rivierdalen en overal waar tussen het gesteente wat grassprieten te vinden zijn dwalen schapen rond. De vacht van de ooien is vaak ruig en gehavend. Het scheren vindt niet in het voorjaar plaats, maar in de herfst. De IJslandse schapen blijven ’s?winters dan ook niet buiten. Maar in de zomer lopen ze vrij rond en raken bij de nadering van een bus of auto steevast pas op het allerlaatste moment in paniek. Al deze grazers (hun aantal werd in 1987 nog geschat op 800.000) zorgen niet alleen voor vlees en wol voor kleding, maar ook voor een schrikbarende erosie. Aan de zuidkust en in het noordoosten zijn hele bodems van de berghellingen gegleden. Het IJslandse schaap is uniek in zijn soort: door de eeuwenlange afzondering en totale isolatie van andere soorten, is zijn oorspronkelijke puurheid bewaard gebleven.

Een bewijs hiervan is de door deze schapen geproduceerde wol: uniek en derhalve zonder enige concurrentie. Door een ontwikkelingsproces van meer dan 1100 winters, waarin de schapen werden blootgesteld aan de onverzoenlijk strenge koude en ellende van het subarctische klimaat, werd de IJslandse wol gevormd door twee vezelsoorten: grof en fijn. Terwijl de grove soort lang, glanzend, taai en waterafstotend is, is de andere korter, dunner, zachter en goed isolerend, waardoor het geheel een hoge weerstand heeft tegen de koude, terwijl het toch geen mohairachtig weefsel is geworden. Een ander opvallend kenmerk van het IJslandse schaap is zijn natuurlijke kleurstelling: zwart, grijs en lichtbruin, evenals het ongebruikelijke wit, dat tegenwoordig hét aparte beeldmerk is van alle op IJsland gebreide spullen; de Lopi-trui (zie pag. 121) is hiervan een van de bekendste voorbeelden.

Rendieren (hreindyr)

Rendieren werden aan het eind van de 18e eeuw vanuit Noorwegen geïmporteerd. Een aanzienlijk aantal leeft nog in de oostelijke hooglanden.

Mink (of nerts)

Rond 1930 werd de nerts ingevoerd voor bontkwekerijen, maar al snel ontsnapte een groot aantal en keerde terug naar hun wilde bestaan, wat grote schade aan vogels en zoetwatervissen toebracht.

Poolvos

Toen IJsland in de 9e eeuw werd bewoond, was de poolvos het enige landdier. De vossen komen nog steeds op geheel IJsland voor en hebben herhaaldelijk de schaapskuddes geteisterd. Dit met dikke, witte haren beklede dier met zijn grote, blauwe ogen is naast de zeearend het enige roofdier dat op IJsland voorkomt.

Zeehonden

Veel kusten van IJsland worden bevolkt door zeehonden. De grootste kolonie leeft in Hindisvík, maar ook in de Breidafjördur zwemmen grote aantallen. Er leven 2 soorten zeehonden in de IJslandse wateren, de gewone zeehond en de grijze zeehond. Vier andere zeehondensoorten bezoeken IJsland in de winter. Gedurende een beperkte periode worden in sommige delen van het land zeehonden gevangen voor hun bontvel. Grotere zeebewoners, zoals de walrus, laten zich echter zelden of nooit zien.

Overige

IJsberen komen af en toe op pakijs langs, maar worden altijd kort na aankomst gedood.

De bruine rat, de zwarte rat, de huismuis en de veldmuis werden per ongeluk door de mens ingevoerd.