Soorten van vochtige plaatsen

Scheuchzer's wollegras
Scheuchzer's wollegras

Een van de meest opvallende planten in dit milieu is de geelbloemige dotterbloem (Caltha palustris). Deze forse plant (30 cm, bloemen 4 cm) ziet men ook veel in greppels langs wegen. Hij groeit in de laaglanden maar niet al te dicht bij zee omdat hij niet tegen zout water kan (ook niet tegen zoutsproei in de lucht). Kenmerk van veel veenbodems is dat zij zeer arm kunnen zijn aan minerale meststoffen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat u in dit soort milieus ‘vleesetende’ plantjes tegen kunt komen die insecten vangen om aan voedingsmineralen te komen. Op IJsland komt u een zeer interessant soortje tegen: het vetblad (Pinguicula vulgaris). Het is een plantje dat een rozetje heeft van vrij brede vlezige blaadjes die opvallend lichtgroen, bijna gelig van kleur zijn. Daaruit komt een 10 cm bloeistengeltje met paarsige bloemetjes die een spoor (buisachtige verlenging naar achteren) hebben. Als u goed kijkt ziet u dat de blaadjes een sterk naar boven gerichte rand hebben. Dat heeft een reden: het is een insectenetertje. Insecten worden gevangen door een kleverig slijm dat door microscopisch kleine kliertjes (25.000 per cm2) op de bladeren wordt afgescheiden. Nadat een insect is gevangen sluit de bladrand zich om het insect en begint de vertering. De plant scheidt daarbij niet alleen verteringsenzymen af maar ook ontsmettingsmiddelen om te voorkomen dat bacteriën bezit van de buit nemen. In tegenstelling tot de meeste carnivore planten kan dit plantje echter ook goed zonder insecten groeien. Een ander ‘insecteneterje’ dat over het algemeen in nog iets nattere veenbodems voorkomt is de ronde zonnedauw (Drosera rotundifolia). Het is vrij gemakkelijk te herkennen: kleine rode plantjes met op de bladeren lange harige rode steeltjes en op de randen van de bladeren druppels kleef- en verteringsstoffen. Dit plantje heeft wel insecten nodig. Op IJsland is het vrij zeldzaam en de enige zonnedauwsoort.

Een parasiet van een heel andere orde is het vlammend kartelblad (Pedicularis flammea). Het is eveneens een plantje met sterk roodgekleurde (gekartelde) bladeren met een bloemsteeltje (10 tot 15 cm) waarop fel rood-geel gekleurde helmbloemetjes verschijnen. Deze parasiteert echter op de wortels van andere planten (m.n. grassen) en komt alleen in de hooglanden voor op vochtige, maar niet al te drassige gronden. Twee verwante soorten zijn de geelbloemige kleine ratelaar (Rhinanthus minor) en het kleine witbloemige korte ogentroost (Euphrasia frigida). Zij parasiteren net als het vlammend kartelblad maar komen meer voor in laaglanden, graslanden en heiden (m.n. de kleine ratelaar). Twee andere soorten die men regelmatig tegenkomt op vochtige bodems zijn de wateraardbei (Potentilla palustris) en de bokjessteenbreek (Saxifraga hirculus). De eerste (25 cm) groeit vooral in de vochtige voedselrijkere weilanden en moerassen van het laagland. U kunt hem herkennen aan de 5-tallige vingerbladen en de rode bloeistengels met rode bloemen. De bokjessteenbreek (10 cm) komt daarentegen vooral in de hooglanden voor en valt op door de grote gele bloemen met vele rode stippeltjes aan de binnenkant van de bloemblaadjes.

De echt zompige bodems zijn vooral begroeid door een groot aantal zeggensoorten. Makkelijk herkenbaar zijn de wollegras-zeggen. Voor en tijdens de bloei vallen ze nog niet zo op, maar na de bloei groeien lange witte haren vanuit de aartjes (pluizige bolletjes) waaraan zij hun naam te danken hebben. Op IJsland komen twee makkelijk uit elkaar te houden soorten algemeen voor: het veenpluis (Eriophorum angustifolium) dat herkend kan worden doordat het meerdere aartjes per bloeisteel heeft en het Scheuchzer’s wollegras (Eriophorum scheuchzeri) dat een eenarige soort is. Op plekken die bijna altijd onder water staan groeien het waterdrieblad (Menyanthes trifoliata de drietallige bladeren steken boven het water uit, bloemstelen apart van de bladeren steken ook boven het water uit en de witte bloemen zijn sterk behaard aan de binnenkant) en de op paardenstaarten lijkende lidsteng (Hippurus vulgaris). Een aantal paardenstaarten (primitieve varens) komt in allerlei milieus op IJsland voor, maar de paardenstaarten die op natte gronden groeien hebben geen of heel korte blaadjes met de karakteristieke sporenlichaampjes aan de toppen van de stengels en zijn dus niet te verwarren met de lidsteng.

Een paar soorten zijn kenmerkend voor de begroeiing langs snelstromend bergbeekjes. Als voorbeeld noem ik de stersteenbreek (Saxifraga stellaris) en de noordse ereprijs (Veronica alpina). De stersteenbreek is een algemeen voorkomend witbloeiend steenbreekje met rode onbebladerde maar behaarde bloeistengeltjes, die vaak opvalt door rode vruchtjes. Zij groeit veelal samen met -Cerastium cerastoides (een hoornbloemsoort) en met verschillende bastaardwederiksoorten (Epilobium sp.) langs snelstromende beekjes. De noordse ereprijs is wat minder algemeen en is vooral te vinden in hooglanden. Het is een tamelijk breedbladerige ereprijs met blauwe bloemen die in compacte trosjes aan het eind van de stengels zitten. Behalve langs snelstromende beekjes is het ook wel op de meer vochtige hellingen te vinden.

Gerelateerde onderwerpen

  • Zandgebieden

    Grote engelwortel
    Als er iets is wat indruk maakt op de meeste Nederlandse toeristen zijn het wel de uitgestrekte zandgebieden die totaal onbegroeid lijken. In de binnenlanden...