Vanaf Vík: wandeltocht langs de kustlijn bij Dyrhólaey

De afstand bedraagt 45 km en de reistijd ongeveer 3 uur, inclusief de wandelingen over het strand. Vík, Voor vertrek kunt u even warmlopen aan de kust om van het gitzwarte strand te genieten, wat vooral in de winter adembenemend afsteekt tegen de spierwitte sneeuw. In de verte ziet u de rotspunten Reynisdrangar, Na eerst 4 km de ringweg in westelijke richting gevolgd te hebben slaat u linksaf en volgt de [215] tot IJslands zuidelijkste boerderij Gardar. Hier hebt u deels uitzicht op deze rij basalten rotspilaren, die 66 m uit zee omhoogrijzen. De afzonderlijke pilaren heten Skessudrangar, Landdrangar en Langhamrar en zijn volgens de plaatselijke overleveringen geen rotspunten, maar trollen die bij zonsopgang in steen zijn veranderd. In de 340 m hoge berg Reynisfjall zit een beschutte ondiepe grot, waar bij slecht weer geschuild kan worden. De berg heeft een uitbundig vogelleven. Dyrhólaós Wanneer u hiervandaan richting Dyrhólaey wandelt wordt de weg erheen helaas versperd door de oceaanopening van dit meertje, waardoor u dezelfde weg weer terug moet lopen. Let op de prachtige vormen die sommige kiezelstenen op het strand hebben. U moet dus terugrijden naar de ringweg. Reyniskirkja, Een uit 1897 stammend kerkje. Vervolgens rijdt u via de [1] naar de eerstvolgende afslag [218] en na wat steile haarspeldbochten komt u aan bij Dyrhólaey, Dit is het zuidelijkste puntje van het vasteland; een 120 m hoge kaap, die boven het zwarte strand uitsteekt. Een smal deel ervan steekt uit in zee, waarin zich een ongebruikelijke, boogvormige opening bevindt, die groot genoeg is om een flinke boot doorgang te verlenen. Het is een vogelrots, waar duizenden zeevogels hun broedplaats hebben. De zo aandoenlijke papegaaiduiker is een van de vele zeevogels die hier huizen. De vogelrots is gesloten tijdens het broedseizoen. Vík, En weer terug naar het uitgangspunt van deze wandeltocht.