Visserijgrens en kabeljauwoorlogen

Tot voor kort steunde het zeerecht nog altijd op het in de 17e eeuw door Hugo de Groot ontwikkelde principe van de vrije zee: elk land heeft de vrijheid de zee buiten de territoriale wateren (‘volle zee’) te gebruiken voor diverse doeleinden, waaronder de visserij. In het verdrag inzake de volle zee, een van de verdragen, die tot stand kwamen op de eerste zeerechtconferentie in Genève in 1958, werd dit beginsel nog eens bevestigd. Toch vond er vóór die tijd in de IJslandse wateren al een reeks ernstige incidenten plaats tussen Britse en West-Duitse vissersschepen enerzijds en IJslandse kustvaartuigen anderzijds. Om buitenlandse vissers te weren uit de IJslandse wateren en de vis voor de eigen kust een kans te geven te rijpen, verlegde IJsland zijn visserijgrens in 1952 van drie (de breedte van de territoriale zee in die tijd) naar vier mijl. Dit stuitte op zo’n verzet van Britse vissers, dat havenarbeiders voortaan IJslandse vissers de toegang tot de Britse havens beletten. Verdere teruggang van de vangsten was voor IJsland in 1958 aanleiding de grens vast te stellen op twaalf mijl. Over de breedte van territoriale zee, evenals over de breedte van de visserijzone, was in het verdrag van 1958 immers niets vastgelegd. De uitbreiding tot 12 mijl leidde tot de eerste kabeljauwoorlog: Britse oorlogsschepen kwamen de Britse trawlers die in deze zone bléven vissen te hulp. Na langdurige onderhandelingen kwam in 1961 een visserijakkoord tot stand, waarin Groot-Brittannië de uitbreiding tot twaalf mijl erkende, en in ruil daarvoor het recht kreeg om gedurende drie jaar in een aantal gebieden te blijven vissen. De teruggang van de haring- en kabeljauwvangsten en de voortdurende toename rond IJsland van visserij door Cubaanse, Russische, Japanse, West-Duitse en Britse vissers brachten de IJslandse regering er in 1972 toe de visserijzone opnieuw te verleggen. Ditmaal werd de grens gesteld op 50 mijl. Deze maatregel ontlokte zulke heftige reacties bij de Britse en West-Duitse regering, dat beide landen de zaak aanhangig maakten bij het Internationaal Gerechtshof. Maar de IJslandse regering achtte het Hof in die zaak niet bevoegd en de tweede kabeljauwoorlog brak uit: IJslandse kanonneerboten voeren de sleeptouwen van Britse trawlers stuk, waardoor zij hun netten verspeelden. De Britse regering stuurde oorlogsschepen om de Britse vissers te beschermen. Het conflict eindigde met een nieuwe visserijovereenkomst tussen beide landen. De derde kabeljauwoorlog tussen Groot-Brittannië en IJsland brak in 1975 uit toen IJsland zijn visserijzone op 200 mijl stelde. Toen een Brits fregat opzettelijk een IJslands kustvaartuig ramde, verbrak IJsland begin 1976 de diplomatieke betrekkingen met Groot-Brittannië. Verder dreigde IJsland uit de NAVO te treden als Groot-Brittannië zijn oorlogsschepen niet terugtrok. In juni 1976 gaf Groot-Brittannië toe en erkende de 200-mijlszone. In een door beide landen gesloten tijdelijke overeenkomst werd bepaald dat Britse vissers nog maar met gemiddeld 24 schepen per dag de visgronden binnen deze wateren mochten bevissen. Voor Groot-Brittannië waren de verliezen zwaar: aan de fregatten van de Royal Navy was een schade toegebracht van ruim een miljoen pond, en verder raakten 9000 vissers hun baan kwijt. Tot slot nog wat cijfers uit 1998: de kustlijn van IJsland is 4970 km lang, inclusief fjorden zelfs 6000 km en de grootte van zijn territoriale wateren is op dit moment 758.000 km2. IJsland heeft 950 vissersschepen, 11 commerciële schepen en 22 andere vaartuigen.