Vogels (fuglar)

Het aantal algemene vogelsoorten op IJsland is redelijk beperkt maar omdat IJsland midden in de noordelijke Atlantische Oceaan ligt komen er vrij veel toevallige gasten (‘dwaalgasten’ genoemd) uit Europa en Amerika langs. Het turbulente klimaat van de Atlantische Oceaan draagt er ook toe bij, dat vogels van velerlei pluimage onbedoeld aan komen waaien. Wanneer hier dan ook ergens geschreven staat ‘komt niet op IJsland voor’ dan betekent dit eigenlijk ‘de kans om ze te zien is (zeer) klein’. Landschap, klimaat en voedselaanbod zijn voor hen te ongunstig om werkelijk te settelen. Met name het aantal soorten zangvogels is gering, hetgeen vooral te wijten is aan het grotendeels ontbreken van echt bos en, als gevolg van de koele zomers, het geringe aantal insecten. Slechts ca. 100 vogelsoorten komen echt regelmatig voor, waarvan er zo’n 80 op IJsland broeden. Voor bezoekers uit Nederland zitten daar wel veel interessante soorten bij, omdat zij in Nederland niet of maar zeer moeilijk zijn waar te nemen.

De zeearend is een van de meest spectaculaire vogels om in het wild te zien en kunt u in het westen van IJsland makkelijk waarnemen. Allerlei alkachtigen kunnen wel in Nederland vanaf het Noordzeestrand waargenomen worden, zij het alleen met grote telescoopkijkers en met veel moeite, ervaring en geduld. Op IJsland kan men de nesten zonder problemen wandelend tot op enkele (tientallen) meters benaderen. Ditzelfde geldt ook voor de broedkliffen van de drieteenmeeuw, de noordse stormvogel en de kuifaalscholver.

De kust van IJsland is een waar paradijs voor zeevogels. Voldoende vis en gevarieerde landschappen met kliffen, strandvlaktes, weiden, meren, rivieren en moerassen bieden voor allerlei zeevogels ideale broedplaatsen. Ook toendra-broeders als de wilde zwaan en de kleine rietgans voelen zich in dit milieu thuis. Andere toendra-broeders als kol-, rot- en brandgans passeren IJsland in grote aantallen tijdens de trek naar Groenland en Canada.

Een ander opmerkelijk aspect van het IJslandse vogelleven is dat door de gematigde winters van de zuidelijke kuststreken, deze toevlucht bieden aan allerlei Scandinavische broedvogels. Een aardig voorbeeld daarvan is de ons zo bekende blauwe reiger: die ziet men op IJsland alleen in de winter! Ten slotte moet op nog een facet gewezen worden. De mens heeft wereldwijd het aanzien van de aarde in de afgelopen 200 jaar grondig veranderd. Veel vogelsoorten passen zich geleidelijk aan door te leren gebruik te maken van nieuwe voedselbronnen die door de menselijke culturen ontstaan. Voor IJsland betekent dit dat een aantal nieuwkomers gearriveerd is dat vooral in de stedelijke gebieden te vinden is. Daarbij komt ook nog dat bomen het meest te vinden zijn in de tuinen van de stedelingen. Tegelijkertijd is ook het klimaat warmer aan het worden. Ook dit is van invloed op het voorkomen van vogels op IJsland. Mogelijk is dit een oorzaak van het steeds zeldzamer worden van de kleine alk als broedvogel.

Toerisme en vogels

Veel vogels op IJsland zijn verrassend weinig schuw. De niet te overtreffen papegaaiduiker laat zich bijvoorbeeld tot een meter benaderen. Vaak gaat het dan om broedende dieren die op dat moment knap zenuwachtig zullen zijn van uw aanwezigheid. Een vrouwtjeseidereend blijft bijvoorbeeld stug op haar nest zitten bij benadering om haar eieren tot het allerlaatst te beschermen. Houd echter steeds respect voor deze dieren want wij zijn hun gast! Belangrijk is dat iedereen zich moet realiseren dat een starende blik als bedreigend wordt ervaren. Vogels zijn veel minder zenuwachtig voor verrekijkers die op hen gericht zijn.

Sommige vogels, vooral waadvogels, zullen u benaderen om te proberen u weg te leiden van hun nesten. De goudplevier is daar een goed voorbeeld van. Andere vogels zullen u aanvallen zodra u zich in hun broedgebied begeeft. Deze aanvallen bestaan uit duikvluchten op de hoofden van indringers. Naarmate ze zenuwachtiger worden gaat dit ook gepaard met het bespatten met hun mest/urinemengsel (bij vogels is dit niet gescheiden). Vooral vogels die in kolonies op het vlakke land broeden, zoals meeuwen, hebben daar een handje van.

In dit verband moeten de noordse stern en de grote jager apart genoemd worden. De eerste omdat hij broedt in gebieden die u makkelijk kunt bereiken (b.v. kampeerterreinen) terwijl de tweede vooral genoemd moet worden vanwege zijn niet-ongevaarlijke agressiviteit. De grote jager deelt stevige pikstoten uit naar mensen! Wild zwaaien heeft een averechts effect. De dieren worden er alleen maar zenuwachtiger van en dus nog agressiever. Het beste is een lang voorwerp (wandelstok, statief) recht boven het hoofd te houden. Dit verlegt het doel van de duikvluchten van het hoofd naar de top van de wandelstok en dat maakt het wandelen een stuk aangenamer! Hebt u niets bij de hand, dan kunt u het beste een arm recht omhoog houden met een ontspannen hand; dat voorkomt dat u hoofdwonden oploopt!

Beroemde gebieden

Vestmannaeyjaro.a. alkachtigen
Eldeyo.a. jan-van-gents
Jökulsárlóngrote jagers
Arnarstapio.a. drieteenmeeuwen
Látrabjargeen must voor een ieder die vogels een warm hart toedraagt
Breidafjördurzeearend, div. zeevogels
Flatey in de Breidafjörduro.a. zwarte zeekoet
Myvatnnog een absolute must!
Grímseyo.a. kleine alk

 

Duikers en fuutachtigen

Twee soorten duikers broeden op IJsland: de ijsduiker en de roodkeelduiker. Het zijn vogels die broeden bij zoetwatermoerassen en meren maar in de winter vooral op zee foerageren. Duikers kunnen gemakkelijk herkend worden. Allereerst liggen zij ‘diep’ in het water bij het zwemmen. De duikers hebben tamelijk lange rechte snavels en nogal lange nekken. Voorts zijn het echte zwemmers met krachtige poten en vliezen tussen de tenen. De poten zijn ten behoeve van het duikend bestaan ver naar achteren geplaatst waardoor zij niet goed kunnen lopen. Het land wordt alleen opgezocht voor het broeden.

De ijsduiker (75 cm) heeft een zwarte hals met daarin een band van zwart-witte streepjes. Ook de rug is glanzend zwart met witte stippen.

De roodkeelduiker (55 cm) heeft een grijze kop en hals met over de wervelkolom een zwart-wit strepenpatroon en op de keel – de naam zegt het al – een rode vlek. Interessant om te vermelden is dat de ijsduiker in principe een Amerikaanse soort is. Wel is het zo dat deze soort in de winter overal op de Atlantische Oceaan te vinden is, ook voor de Nederlandse Noordzeekust, maar IJsland is het meest oostelijke broedgebied.

Voorts komt op IJsland de kuifduiker algemeen voor. Het is geen echte duiker maar een futensoort. Qua uiterlijk houdt hij het midden tussen de ons bekende fuut en de kleinere dodaars. Kenmerkend zijn de oranje gekleurde koppluimen die vanuit de oogstreek recht naar achteren lopen en de rossige hals. Het diertje is ongeveer 33 cm groot.

Net als de eerdergenoemde duikers broedt hij in moerassige poelen en meren. Hij geeft echter de voorkeur aan de rijkere wateren van de laaglandgebieden. U kunt hem, net als de roodkeelduiker, echter ook veel zien bij Myvatn. Deze drie soorten bouwen hun nesten langs de rand van open water, bij voorkeur op eilandjes of tussen waterplanten. Net als zwanen en ganzen – maar in tegenstelling tot de meeste eenden, waar de mannetjes het na de paring wel voor gezien houden – nemen bij de duikers en fuutachtigen beide partners een gelijk aandeel in het broeden en de zorg voor de jongen.

Stormvogels en jan-van-gents

De noordse stormvogel is zeer algemeen langs de kust en ook valt hij op zee vanaf schepen te bewonderen. Het is een vogel die in eerste instantie aan een meeuw doet denken, maar de buis op de snavel maakt het onmiskenbaar een stormvogel. Deze buis is overigens voor het uitscheiden van zout. Zijn vlucht is zonder meer een van de elegantste onder de vogels. Glijdend en zwevend alsof het geen enkele moeite kost beweegt het dier zich door de lucht. Zelden zal men de vleugels een fladderende beweging zien maken.

Behalve elegante eigenschappen heeft hij echter ook onhebbelijkheden. Vooral zijn gewoonte om stinkende olie-achtige substanties uit te braken bij bedreiging (b.v. bij benadering van het nest) hebben hem de oorspronkelijke IJslandse naam fúlmár (smerige meeuw) gegeven. Kleren, besmeurd met dit braaksel, laten zich zelfs door de modernste wasmiddelen nauwelijks schoonmaken. De huidige Engelse naam luidt nog steeds fulmar.

De vogel broedt bij voorkeur in kleine holtes in loodrechte rotswanden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de drieteenmeeuw, die op kleine richels broedt. De basaltformaties langs de IJslandse kusten leveren daartoe ruim voldoende mogelijkheden. Verrassend is dat deze vogel ook tamelijk ver landinwaarts broedt. Zo kan men hem ook vinden op de kliffen van Ásbyrgi in Noord-IJsland tot ca. 20 km van de kust. Andere stormvogels zijn veel minder opvallend en men moet een redelijk goede vogelaar zijn om ze te herkennen.

Naast het stormvogeltje en het vale stormvogeltje komen ook de noordse pijlstormvogel en de grauwe pijlstormvogel voor. Alle zijn bijna uitsluitend langs de zuidkust waar te nemen. De beide stormvogeltjes (15 tot 20 cm) zijn te herkennen aan de eigenschap dat ze veelal met uitgestoken poten over het water fladderen bij het zoeken naar vis op zee. Beide pijlstormvogels (35 cm) doen dat niet en vliegen meer zoals de noordse stormvogel. De grauwe pijlstormvogel is overigens een van de weinige vogels die broedt in Zuid-Atlantische streken en ’s zomers op het noordelijke halfrond als wintergast overwintert.

Een veel grotere zeevogel die in de zeeën langs de zuidkust waargenomen kan worden is de jan-van-gent. Deze grote witte vogel (90 cm) heeft zwarte vleugelpunten en een gele nek en kan daardoor onmogelijk verward worden met andere vogels. Spectaculair is zijn vistechniek: met ware doodsverachting valt hij loodrecht omlaag met gespreide vleugels. Pas op het allerlaatste moment trekt hij zijn vleugels in om zodoende met een gestroomlijnd lichaam het wateroppervlak te klieven. Broedkolonies zijn te vinden langs de meer afgelegen eilanden van de Westmann-eilanden en op een grote rots (Eldey) ten zuidwesten van de zuidwestpunt van IJsland.

Aalscholvers en reigers

Er komen twee soorten aalscholvers voor. Allereerst de ook bij ons bekende gewone aalscholver. In tegenstelling tot de West-Europese populaties, die recentelijk enorm zijn gegroeid, leidt deze 75 cm grote vogel op IJsland een tamelijk kommervol bestaan. Broedgebieden zijn voornamelijk te vinden in het westen (Breidafjördur en Faxaflói), waar ze bij afwezigheid van bomen broeden op rotskliffen en kleine eilandjes. Elders zijn ook enkele broedgebieden maar daar nemen de aantallen geleidelijk af en verdwijnen ze uiteindelijk.

De kuifaalscholver is ongeveer 20 cm kleiner dan de gewone aalscholver. Verder is hij te onderscheiden door de zwartere kleur (minder gemarmerd dan de gewone) en het ontbreken van de brede wit en gele keel. Daarvoor in de plaats heeft hij een kleine gele vlek net onder de ogen. Zijn kuif laat hij maar zelden zien. Het is veel meer een zeevogel die broedt op rotskliffen, voornamelijk in de Breidafjördur.

Na de broedtijd komen beide soorten foeragerend langs alle kusten voor. De gewone aalscholver trekt ook wel langs de grotere rivieren landinwaarts. Opvallend aan aalscholvers is ook de haakpunt aan het eind van de snavel. Dit komt bij visetende vogels wel vaker voor (zie bijvoorbeeld de zaagbekeenden). De vlucht van aalscholvers lijkt op die van ganzen, zowel in stijl (V-vorm) als in het silhouet van de individuele dieren.

De overbekende blauwe reiger verschijnt op IJsland op een bijzondere manier, wat veel zegt over het IJslandse klimaat. Hij verschijnt namelijk als wintergast! Het zijn vogels die broeden in Noorwegen. Doordat in het zuiden wateren zelden (lang) bevroren raken is het dus voor deze vissers een uitstekend overwinteringsgebied. Dit gedrag komt ook bij enkele andere moerasvogels voor, zoals de waterral en gewone wulp.

Zwanen en ganzen

Op IJsland komt alleen de wilde zwaan voor, die op veel plaatsen broedt. Het is een trekvogel, maar een klein aantal uit Groenland overwintert op de IJslandse zuidkust. De meeste gaan naar de Britse eilanden en eventueel verder naar de Europese laaglanden. De knobbelzwaan is aan het eind van de jaren vijftig uitgezet in Reykjavík, waar hij het aanvankelijk goed deed. Maar aan het eind van de jaren zeventig waren zij weer uitgestorven.

De wilde zwaan verschilt uiterlijk van de knobbelzwaan in de gele snavel zonder knobbel (de kleine zwaan komt niet voor). Veel karakteristieker is het geluid dat ze maken. Waar de knobbelzwaan zelden iets van zich laat horen (waardoor de Engelsen hem ‘mute’ swan noemen) is een groep wilde zwanen op grote afstand al te horen aan de kakofonie van enigszins hysterisch gekakel.

Broedparen hebben in tegenstelling tot ganzen veel meer de neiging om in afzondering te broeden. Andere zwanen die te dicht bij het nest of de jongen komen, worden met veel misbaar weggejaagd. Er komen ’s zomers ook veel ongepaarde individuen voor die in groepen blijven. Vooral in het noordelijk deel van Myvatn (de Ytriflói) is altijd wel zo’n grote groep te vinden.

Vijf soorten ganzen kunt u op IJsland in groten getale aantreffen. Alleen de grauwe gans (90 cm) en de kleine rietgans (70 cm) broeden er. Samen met de kolgans behoren deze drie tot de Anser-groep die alle grijs-bruinig gekleurd zijn. De grauwe gans broedt in het laagland en is het best te identificeren aan de egaal rozerode (en relatief lange) snavel.

De kleine rietgans broedt daarentegen in de hooglanden bij meren, zoals aan de zuidoostflank van de Hofsjökull en in ‘hooglandoasen’ als Hvannalindir. Deze gebieden zijn amper toegankelijk tijdens het broedseizoen.

Bij het begin van de zomer vertrekken de vogels alweer uit de broedkolonies om her en der te foerageren. De kleine rietgans is het best te herkennen aan zijn relatief donkere nek en kop ten opzichte van de rest van het lichaam. De grote rietgans komt op IJsland niet voor. De kolgans is een trekvogel van Groenland naar de Britse eilanden (en visa versa natuurlijk). Hij is te herkennen aan de opvallend brede witte kring (‘kol’) rond de snavelbasis.

Ten slotte zijn er nog de twee ganzen van de Branta-groep. Dit zijn donkere ganzen met een zwarte nek (althans de soorten die op IJsland voorkomen). Het betreft de brandgans (de enige gans met een geheel witte kop) en de rotgans (een zwarte kop met smal wit keelbandje). Deze twee Branta-soorten zijn aanmerkelijk kleiner dan de eerdergenoemde Anser-soorten (55 cm tegen 70-90 cm). Mocht u echter – en dat is niet uitgesloten – een hele grote gans met een lange zwarte nek zien, die verder veel op de rotgans lijkt dan hebt u te maken met een dwaalgast, de Canadese gans. De brandgans is in het voorjaar vooral te vinden in laaglandgraslanden en langs de noordelijke en zuidelijke randen van de hooglanden, terwijl de rotgans vooral foerageert op zeegras en daardoor meestal direct langs de kust te vinden is.

Eenden

Net als de tamme eend behoren de grondeleenden tot de Anas-groep. Op IJsland komen de volgende voor: de wilde eend, de krakeend, de smient, de wintertaling, de pijlstaart en de slobeend. Alle broeden op IJsland maar Myvatn is bij uitstek het gebied om ze te zien. Grondeleenden voeden zich bij voorkeur met plantaardig, organisch materiaal dat vanaf het wateroppervlak en langs oevers te verkrijgen is. ’s Avonds willen zij ook wel het land op om voedsel te zoeken. Het zijn goede vliegers die uit stand vanaf het wateroppervlak kunnen opstijgen.

Duikeenden komen in verschillende groepen voor. Het meest soortenrijk is de Aythya-groep op IJsland. Vrij algemeen zijn de kuifeend en de toppereend, terwijl de tafeleend vrij zeldzaam is. Ten opzichte van de grondeleenden hebben zij een meer gedrongen lichaamsbouw. Door hun aanpassing aan duiken zijn zij niet in staat om direct vanaf het wateroppervlak op te vliegen, maar moeten zij eerst al trappelend en vleugelwiekend horizontale snelheid ontwikkelen. Ze voeden zich voornamelijk met slakjes en andere lagere diertjes die zij duikend onder water bemachtigen.

De toppereend was gedurende lange tijd de meest algemene vogel van Myvatn, maar sinds het eind van de 19e eeuw heeft de kuifeend zich er gevestigd en deze is daar nu de meest algemene eend. De toppereend vertrekt ’s winters naar Europa, net als de meeste kuifeenden. Slechts een klein deel van de kuifeenden verblijft ’s winters in het zuidelijke deel van Myvatn, dat door geothermische invloeden nooit bevriest. De tafeleend vertrekt ook ’s winters en is ’s zomers maar in kleine aantallen te vinden in Myvatn en in het zuiden.

Andere duikeenden die u in het binnenland kunt vinden, zijn de zwarte zee-eend (broedt in groten getale in Myvatn), de IJslandse brilduiker (broedt voornamelijk in Myvatn en langs de daaruit stromende Laxárivier) en de Europese of gewone brilduiker, die als wintergast op IJsland voorkomt. De harlekijneend zoekt bij voorkeur snelstromende rivieren op en is overal op IJsland te vinden. Net als de duikeenden van de Aythya-groep jagen deze vogels voornamelijk op schaaldiertjes, weekdiertjes en waterinsecten.

De zaagbekken zijn meer gespecialiseerd in het vangen van vis (stekelbaarsjes). Daartoe hebben zij een lange gekartelde snavel met een naar beneden gericht eindpunt. In Myvatn en de zuidelijke laaglanden komt zowel de grote zaagbek als de middelste zaagbek voor als broedvogel. Dan is er nog de ijseend. Het mannetje heeft net als de pijlstaarteend sterk verlengde staartveren (nog meer geprononceerd dan de pijlstaart). Het is echter een echte duikeend die op IJsland zowel bij binnenlandse meren als langs de kust broedt.

De eidereend ten slotte kan alleen langs de kust gevonden worden, maar komt daar dan ook in groten getale voor. De eidereend wordt al eeuwen gebruikt voor de donsindustrie en is alleen daarom tot beschermde soort verheven. Naast de gewone eider komt de koningseider voornamelijk als wintergast voor, vooral langs de zuidelijke kust. ’s Zomers vertrekken alle vrouwelijke en de meeste mannelijke koningseiders naar de arctische regio’s. Sommige van de achtergebleven mannelijke dieren hybridiseren met de gewone eider. Eiders voeden zich voornamelijk met schelpdieren.

Roofvogels en uilen

Op IJsland komen slechts 3 soorten echte roofvogels voor. Maar dit zijn niet de onbeduidendste! De belangrijkste reden dat er zo weinig roofvogels zijn is het ontbreken van lemmingen en omdat er maar weinig zangvogels te vinden zijn. De kleinste roofvogel is het smelleken, een klein valkje (30 cm) dat in open terrein op kleinere zangvogeltjes en insecten jaagt. Soms bidt hij als een torenvalk (die ontbreekt op IJsland, want de torenvalk is een muizeneter). Beide seksen hebben gestreepte buikpartijen. Het mannetje heeft grijze rug en vleugels, terwijl het vrouwtje bruin van boven is. Het merendeel trekt in de winter naar de Britse eilanden maar opmerkelijk genoeg blijft er ook een aantal op IJsland.

Veel imposanter is de giervalk (55 cm), die beduidend groter is dan de niet op IJsland voorkomende slechtvalk (45 cm). Ook zijn witte gedaante is opvallend, hoewel donkere vogels ook voorkomen. Vroeger waren ze geliefd bij valkeniers in het oude Europa en zelfs in het Midden-Oosten, zodat het een winstgevend exportproduct werd. Tegenwoordig is hij volledig beschermd. Het is een echte noordelijke soort, waar begrippen als Europa en Amerika weinig meer betekenen. De giervalk komt het meest voor in een strook, die loopt van Bardardalur via Myvatn naar het noordoosten van IJsland, maar hij kan ook elders voorkomen. Men moet erop bedacht zijn dat deze vogels bij het zoeken naar voedsel in korte tijd enorme afstanden kunnen afleggen! Het zien van deze vogel is dus een kwestie van goed opletten want het overvliegen gaat snel.

De derde en meest spectaculaire roofvogel is de zeearend. Het is de grootste vogel van Europa. Door zijn enorme vleugelwijdte tot 2,30 meter (meet dit maar eens in de huiskamer uit!) hebben vogelaars hem de bijnaam ‘vliegende deur’ gegeven. Lange tijd was zijn voortbestaan in Europa in gevaar. Broedpopulaties waren er alleen in Oost-Duitsland, dieper in Eurazië, Scandinavië en IJsland. Ook IJsland doet veel om deze vogel te redden. Toch is het aantal broedparen nog gering maar het gaat de goede kant uit. Na hun herintroductie komen zij nu ook in Noord-Schotland voor. Op IJsland zijn zij alleen te vinden in het Breidafjördur gebied.

Tip: ga eens langs bij de jeugdherberg van Stykkishólmur. Zij gaan met een klein bootje naar een van de broedparen. Bedenk wel dat deze vogel strikt beschermd is en dat wij ons dus respectvol dienen te gedragen! Dus: rustig blijven en vooral doen alsof je eigenlijk geen aandacht voor deze dieren hebt.

Naast de echte roofvogels komen er nog twee uilen voor op IJsland. De velduil broedt pas sinds het begin van de vorige eeuw. Deze donkere vogel (35-40 cm), die soms kleine oorpluimpjes laat zien, leeft vlak bij open velden en heidegebieden en jaagt ook veel bij daglicht (een voorwaarde in verband met de IJslandse lentes en zomers). Van onder gezien is het dier vrij licht. De meeste vogels vertrekken in de winter naar Europa, maar een klein aantal blijft. De sneeuwuil is veel meer een wintergast uit meer arctische streken (Groenland). Hij is veel groter (tot 65 cm) en valt op door zijn witte kleuren. Het vrouwtje heeft veel zwarte strepen (vooral op de rug) en is ook beduidend groter dan het 55 cm grote geheel witte mannetje. Zo af en toe worden ook broedparen ontdekt, maar echt gesetteld heeft hij zich niet. Zijn voedsel bestaat voornamelijk uit sneeuwhoenders, jonge ganzen en eventueel zangvogeltjes. Buiten IJsland zijn lemmingen de belangrijkste voedselbron.

Hoenders en verwanten

Het alpensneeuwhoen heeft een vitale positie in de voedselkringloop op terrestrisch IJsland. Hij is namelijk bij gebrek aan andere prooidieren (lemming!) het belangrijkste voedsel voor jagers als poolvossen, giervalken en sneeuwuilen. ’s Zomers zijn de vogels bruin (mannetje roodbruin) aan de bovenkant en licht aan de onderkant en ’s winters zijn ze vrijwel helemaal wit. Tussendoor hebben ze nog een overgangskleed. Het mannetje is ’s zomers van het vrouwtje te onderscheiden door een rode lel boven het oog en ’s winters aan een zwarte oogstreep, die tot de snavel doorloopt.

In de lente zijn de mannetjes een eenvoudige prooi voor giervalken doordat zij opvallend gaan pronken naar vrouwtjes en daarmee tevens territoria tegen andere mannetjes verdedigen. Zij voeden zich met bessen, knoppen en ’s zomers ook met insecten.

Ook door de IJslanders wordt op dit dier gejaagd. Omdat het zo’n uitgesproken prooidier is voor roofdieren en mens is het niet zo verwonderlijk dat het behoorlijk schuw is en zich buiten de baltsperiode verscholen houdt. Waar niet op ze gejaagd wordt is ze veel tammer, zoals op het eiland Grímsey. Het alpensneeuwhoen komt in alle noordelijke streken voor en opvallend ook in de hooglanden van Noord-Schotland, in de Alpen en in de Pyreneeën.

De vogel is in sterke mate een standvogel, d.w.z. hij verblijft ’s winters in dezelfde regio als ’s zomers. Dit duidt erop dat het alpensneeuwhoen aan het eind van de laatste ijstijd met de terugtrekkende gletsjers zowel noordwaarts trok als bergopwaarts in Centraal-Europa.

Vroeger was de waterral nog een zeldzame broedvogel in de zuidelijke moerasachtige gebieden. Tegenwoordig komt hij alleen nog als wintergast voor. Drainage van deze moerassen heeft zeker geleid tot het verdwijnen van de broedvogels. Ook de ons bekende meerkoet wordt regelmatig op IJsland waargenomen en af en toe komt het tot broedpogingen maar het is geen gevestigde soort.

Waadvogels

Op IJsland kan men een groot aantal soorten waadvogels tegenkomen. Voor ons snel herkenbaar is de bekende zwart-witte scholekster met zijn lange rechte rode snavel en rode ogen. Hij broedt algemeen langs alle kustgebieden. De meeste scholeksters vertrekken in de winter naar de Britse eilanden, maar een groot aantal overwinteraars kan ook langs de zuid- en zuidoostkust aangetroffen worden.

Er worden vier plevierensoorten algemeen aangetroffen. Stel, u wandelt door heideachtig gebied en hoort steeds een ‘fwu-iet’ achter u. U hoeft al niet meer te kijken: het is de goudplevier die in de gaten houdt of u niet te dicht bij zijn nest komt. Overigens is het toch aan te bevelen om het diertje nader te bekijken, wat mogelijk is omdat hij een afstand houdt van 20 tot zelfs 10 meter. In Nederland komt de goudplevier als wintergast voor; ze zijn dan grauw-gelig van kleur en zoeken in grotere schrikachtige groepen naar voedsel.

Hoe anders is zijn uiterlijk en gedrag tijdens de IJslandse zomer. Ten eerste doet hij zijn naam ‘goud’ volledig eer aan wat betreft de kleur van zijn rug en vleugels. Daarbij heeft hij een zwarte buik en zwarte keelstreek die door een witte zoom omrand zijn. Staande lijkt hij op een koning die een aristocratisch gewaad draagt.

De nauw verwante zilverplevier is een toevallige passant die het hele jaar door op IJsland aangetroffen kan worden. Broeden doet hij alleen in Noord-Rusland (ten oosten van het Kola-schiereiland) en op de arctische eilanden van Canada. Veel algemener is de 20 cm kleine bontbekplevier die u herkent aan een karakteristieke zwarte band over de borst-keelgrens en een zwarte kop met een witte vlek frontaal boven de snavel. Ook de zwarte punt van de oranje snavel is karakteristiek. Net als de meeste plevieren loopt het diertje veel en is op IJsland bepaald niet schuchter. Het overwintert ver in Zuid-Europa en Noord-Afrika. Groenlandse bontbekjes foerageren op IJsland gedurende enige tijd langs de kust in voor- en najaar. De vierde plevier is de kieviet, net als de reiger een wintergast uit Scandinavië! Af en toe wordt op IJsland gebroed, maar dat is een zeldzaamheid.

Op IJsland komen twee strandlopersoorten voor als broedvogels en twee als trekvogels en wintergasten. Alle strandlopers zijn tamelijk kleine vogels, die vergeleken met de meeste waadvogels korte poten hebben. De twee broedende strandlopers zijn de bonte strandloper en de paarse strandloper. ’s Zomers is de bonte bruin met een karakteristieke zwarte vlek op de buik en de paarse donkergrijs met een purperen glans. Beide soorten broeden zowel langs de kust als verder landinwaarts in hooglandgebieden en trekken na de broedperiode kustwaarts. De bonte strandloper prefereert voor het broeden moerassige gebieden zoals zeggenmoerassen en natte graslanden terwijl de paarse strandloper drogere steenrijke gebieden prefereert. Ook langs de kust heeft de paarse een duidelijke voorkeur voor stenige kusten terwijl de bonte meer de getijdenmoerassen opzoekt.

De drieteenstrandloper is wel een van de koddigste vogeltjes. Het is geen broedvogel maar een trekvogel van Groenland naar Europa die enige tijd langs de kust van IJsland verblijft. In kleine groepjes zijn zij aan te treffen langs zandstranden waarbij zij steeds met de eindgolfjes van de branding op en neer rennen.

De kanoetstrandloper is ook een trekvogel die echter in zeer grote groepen naar het zuiden trekt. Sommige blijven ’s winters langs West-Europese kusten, zoals de Wadden, terwijl andere naar Afrikaanse kusten doortrekken. Tijdens de lentetrek hebben de vogels op IJsland al hun rossige broedkleed.

Familie van de strandloper is de steenloper, een trekvogeltje (25 cm) dat vanuit Groenland overkomt. De meeste trekken door na enige tijd gefoerageerd te hebben. Hij is tamelijk donker van boven en heeft een witte buik. Meestal ziet men hem tussen stenen en op wierafzettingen wroeten op zoek naar voedsel.

Voor Nederlanders zijn franjepoten een minder bekende verschijning. Het zijn steltvogeltjes van zo’n 20 cm groot en ze hebben een dunne, tamelijk lange snavel. Karakteristiek is het jagen op waterinsecten in meren en poelen wanneer zij ’s zomers bij hun broedgebieden zijn. Dit doen zij door in cirkeltjes te zwemmen. ’s Winters verblijven de franjepoten op zee. Algemeen op IJsland is de grauwe franjepoot. Tijdens het broedseizoen heeft het vrouwtje een rode band die smal bij de ogen begint en via de nek breed uitloopt over de borst en weer terugloopt naar het andere oog waarbij een witte keelvlek ontstaat onder de donkere kop. Bij het mannetje is dit een okergelige band die niet over de borst doorloopt, waardoor de gehele onderkant wit is. Naast de grauwe komt de rosse franjepoot (geheel rode onderkant) als zeldzame broedvogel voor.

Twee ruitersoorten komen regelmatig voor. Zeer algemeen is de 30 cm grote tureluur, een broedvogel die zijn aanwezigheid ondubbelzinnig te kennen geeft door veel kabaal te produceren, het liefst vanaf een paaltje. Naast het gesnater vallen de lange felrode poten en de rechte rode snavel met zwarte tip op. Het is een vogel van de laaglandmoerassen en graslanden. De meeste trekken ’s winters naar de Britse eilanden en eventueel verder, maar sommige overwinteren.

Veel zeldzamer is de bosruiter, die qua lichaamsbouw op de tureluur lijkt, maar kleiner (20 cm) is en gelige poten heeft. Hij is pas aan het eind van de jaren vijftig voor het eerst op IJsland waargenomen en in het begin van de jaren tachtig is voor het eerst een broedpaar gevonden. Hij komt het meest voor rond Myvatn.

Naast de tureluur komt nog een aantal grotere waadvogels voor. Zo is de regenwulp een algemene broedvogel van de laaglanden en in mindere mate ook in de hooglanden. De gewone wulp is een zeldzame broeder maar meer algemeen als wintergast (Scandinavische broedvogels). Beide hebben een lange, naar beneden gerichte snavel. Ze zijn als volgt te onderscheiden: de regenwulp is kleiner (40 cm t.o.v. 55 cm) en heeft een relatief kortere snavel die aan het eind scherper naar beneden geknikt is. Maar de regenwulp is vooral te onderscheiden aan de donkere en lichtere strepen over de kop waar de gewone wulp een egaal gespikkelde bruine kop heeft. De regenwulp trekt ’s winters voornamelijk naar streken ten zuiden van de Sahara. De gewone wulp is ’s winters het meest te zien langs de zuidkust. Wanneer u ’s zomers in het moerassige Melrakkaslétta (noordoosten) bent, moet u alert zijn op de aanwezigheid van de gewone wulp omdat hij daar sporadisch gebroed heeft.

Verder is de 40 cm grote grutto een algemene broedvogel van nattere gebieden. De rossige nek en borst en de rechte (enigszins omhoog gerichte) snavel zijn karakteristiek. Aan het begin van de vorige eeuw broedde hij alleen in de zuidelijke kuststreken maar heeft zich verspreid langs alle kustgebieden en de indruk bestaat dat zijn verspreidingsgebied nog steeds aan het groeien is. ’s Winters trekt hij naar Europa, voornamelijk Ierland. Als trekvogel en wintergast komt ook de rosse grutto voor. Deze kan het best onderscheiden worden aan het gestreepte staartpatroon waar de gewone grutto maar één brede zwarte eindband heeft. Hij is voornamelijk in de herfst en winter te vinden aan de zuidkust langs zandstranden en getijdenmoerassen.

Drie soorten snippen kunnen op IJsland aangetroffen worden. Dit zijn middelgrote waadvogels met relatief korte poten. Trekvogels en wintergasten zijn de houtsnip (35 cm grote roodbruinige vogel met karakteristieke dwarsbanden boven op de kop en nek) en het bokje (als kleine watersnip met relatief korte snavel). Het meest algemeen is de watersnip, die in de laaglandmoerassen en graslanden broedt. Het makkelijkst is deze te herkennen aan zijn wilde baltsvlucht waarbij hij een merkwaardig en zeer opvallend, zoemend, trillend geluid met zijn vleugels voortbrengt. Hij vertrekt ’s winters naar Europa.

Jagers, meeuwen en sternen

Jagers, meeuwen en sternen zijn nauw verwante groepen. Op IJsland worden twee soorten jagers algemeen aangetroffen. Zo is er de grote jager die vooral langs de stranden van de zuidkust broedt (Jökulsárlón). De grote jager is een 60 cm grote bruine zwaargebouwde meeuwachtige vogel. Jagers worden door de Duitsers als roofmeeuwen aangeduid (Raubmöwe) door de manier waarop zij voedsel afpakken van andere zeevogels. Ze achtervolgen vogels die vis gevangen hebben net zolang tot zij het voedsel uitbraken om te ontkomen aan de continue teistering. Daarbij gaat de grote jager zover door ook jan-van-gents aan te vallen. Mensen valt hij alleen aan wanneer deze te dicht bij de nesten komen (zie bij inleiding Toerisme en vogels). Naast deze jachttechniek maakt hij ook eieren en kuikens buit. De kleine jager is veel ranker gevormd met hoekige valkachtige vleugels. Er zijn verschillende kleurslagen: van geheel donker via tussenvormen tot een vorm met witte hals- en buikpartijen. Karakteristiek zijn de verlengde staartpennen. Gedurende de trekperiode kunnen ook de kleinste jager en de middelste jager IJsland aandoen. Deze soorten kennen ook verschillende kleurfasen en kunnen het best aan de vorm van de verlengde staartpennen herkend worden: zeer lang bij de kleinste (minimaal 1/5 van de totale lengte, vaak nog meer); gedraaid en stomp bij de middelste. Ook deze kleinere jagers belagen andere vogels die vis gevangen hebben, waarbij vooral noordse sterns, drieteenmeeuwen, papegaaiduikers en noordse stormvogels slachtoffer zijn. Gedurende de winter zitten de jagers hoofdzakelijk op zee. Op IJsland komt een groot aantal meeuwensoorten voor. Allereerst is er de ons bekende stadsmeeuw: de kokmeeuw (in lente en zomer rode snavel, rode poten en donkerbruine-zwarte kop en hals; in nazomer, herfst en winter alleen een vage zwarte vlek achter de ogen). Hij heeft zich pas aan het begin van de vorige eeuw op IJsland gevestigd. Het is een soort die zich vooral richt op wat menselijke nederzettingen aan voedsel te bieden hebben. Broeden doen zij in het zuiden van IJsland in kolonies. Zijn aanwezigheid buiten de broedgebieden duidt vooral op door toeristen achtergelaten afval! Verder komen de volgende aan de zilvermeeuw nauw verwante soorten voor: de zilvermeeuw zelf (ca. 65 cm, wit en grijs bovenop met zwarte vlekken op de vleugeluiteinden, West-Europese populaties roze poten), de grote burgemeester (als zilvermeeuw, wat lichter grijze vleugels, geen zwarte vlekken op uiteinde van de vleugels), de kleine burgemeester (als de grote maar 60 cm i.p.v. ca. 75 cm), de grote mantelmeeuw (vleugels geheel zwart aan de bovenkant, poten roze), de kleine mantelmeeuw (ca. 55 cm i.p.v. ca. 70 cm, vaak wat minder diepzwart op de vleugels, gele poten!). Opgemerkt moet worden dat de grootte van de drie grotere soorten nogal variabel is. Deze meeuwen hebben alle een rode vlek op de snavel die de jongen op het nest intuïtief aanzetten om naar voedsel te happen uit de bek van de ouderdieren. Doordat zij nauw verwant zijn treedt tot op zekere hoogte hybridisatie op. Ten aanzien van IJsland zijn het de grote burgemeester en de zilvermeeuw die hybridiseren. De zilvermeeuw is pas na grote invasies in de jaren twintig vanuit Europa gaan broeden langs de zuidkust. Vervolgens zijn zij zo sterk gaan hybridiseren met de grote burgemeester dat zuivere grote burgemeesters alleen nog voorkomen langs de westkust! Al deze meeuwen broeden op IJsland, op de kleine burgemeester na die alleen als wintergast uit Groenland en aangrenzend arctisch Canada overkomt (verwarrend is de Engelse naam van dit dier: Iceland gull!). Gedurende de broedtijd jagen meeuwen veel op kuikens van andere vogels, zoals eendenkuikens. Vooral de grote mantelmeeuw heeft bij IJslandse eidereendkwekers een slechte naam. Verder eten ze wat ze te pakken kunnen krijgen (vis, schaaldieren, afval etc.). Nog een aantal meeuwen komt op IJsland voor. Zo is er de stormmeeuw die heel veel op de zilvermeeuw lijkt (iets kleiner: 40 cm, maar geen rode vlek op de snavel en gele i.p.v. roze poten). Deze is rondom de tweede helft van de 20e eeuw gaan broeden bij Reykjavík. Net als de vorige soorten broedt zij in kolonies op vlakke gebieden waarin meerdere meeuwensoorten broeden. Al deze meeuwen vallen mensen aan in hun broedgebieden, maar zij broeden veelal in terreinen waar mensen niet gauw komen. Verder is er de drieteenmeeuw, die veel lijkt op de stormmeeuw, maar geheel zwarte vleugelpunten (niet gevlekt) heeft en zwarte poten. Zij broeden, totaal afwijkend van alle vorige meeuwen, in kolonies op steile kliffen overal langs de IJslandse kust. Een makkelijk bereikbaar broedgebied is bij Arnarstapi aan de zuidkant van de berg Snæfell op Snæfellsness. Van veraf hoor je de kakofonie van ‘kittie-waah’ gekrijs (door Amerikanen wordt deze vogel derhalve kittiwake genoemd). Hij laat zich bij de kliffen makkelijk benaderen zonder agressief te worden. Als wintergast komt ten slotte nog de ivoormeeuw voor. Dit is een geheel witte meeuw (heeft wel dunne zwarte stipjes in rijen op de vleugels en staarteinden) die in hoog arctische streken broedt. Er komen twee soorten sterns min of meer algemeen voor. Sterns zijn slanke vogels met een gevorkte staart. Zeer algemeen is de noordse stern. Hij broedt waar maar mogelijk overal in de laaglanden in kolonies. Deze kunnen soms uit een zeer groot aantal paren bestaan. Zij zijn agressief tegen bedreigende indringers (zie inleiding) waardoor zij ook bescherming bieden aan andere broedvogels. Daarbij doen zij eer aan hun IJslandse naam: kría. Deze ranke vogel met gevorkte staart, rode snavel en zwarte bovenkant van de kop en nek is gemakkelijk als zodanig te herkennen. Op IJsland komt het nauw verwante visdiefje (nauwelijks te onderscheiden van de noordse stern) niet voor. Het overwinteringsgebied van de noordse stern ligt aan de andere kant van de wereld, te weten in de Zuid-Atlantische Oceaan ten zuiden van Zuid-Afrika. Daarvoor kunnen zij afstanden van zo’n 35.000 km afleggen!

Veel zeldzamer is de zwarte stern, een moerasstern. Het is een donkergekleurd vogeltje met enigszins gevorkte staart maar met de karakteristieke gehoekte vleugels. Deze vogeltjes jagen op insecten boven moerassige meertjes waarbij zij vaak bidden als torenvalken. Op IJsland komen zij alleen als toevallige passanten voor waarbij opgemerkt kan worden dat zowel de Amerikaanse als de Europese ondersoort gevonden wordt. Ook zij trekken ’s winters naar zuidelijke streken maar zijn aan land gebonden.

Alkachtigen

Wilt u de grote alk zien? Helaas, die is niet meer! Het verhaal wil dat de laatste twee individuen van deze soort, die ooit over grote gebieden van de Atlantische Oceaan te vinden was op de derde juni van 1844 door IJslandse vissers gevangen werden op vogelrots Eldey. Deze vogel kon niet vliegen en leek in menig opzicht op een pinguïn. De verspreiding van de mens na de ijstijden in Europa en Amerika en het gegeven dat de vogel zo makkelijk te pakken was betekende het wisse einde à la dodo. Andere alkachtigen zijn zeevogels die alle onder water op vis jagen, maar wel zeker kunnen vliegen. Het zijn relatief kleine zwart-witte vogels van 30 tot 40 cm (de kleine alk is slechts 20 cm) die, in tegenstelling tot de wilde duikcapriolen van de jan-van-gents, vanuit een zwemmende positie onder water duiken. Onder water wordt dan op vis gejaagd. Alle alkachtigen broeden op steile kliffen of in holtes die zij in de bodem bovenaan steile kliffen uitgraven. Jonge alkachtigen verlaten het nest wanneer zij nog niet kunnen vliegen. De ouders moedigen de jongen aan om zich bij hen aan te sluiten op zee. Dat levert spectaculaire beelden op van kuikens die met ware doodsverachting fladderend naar beneden storten terwijl het dan voor de meeuwen en jagers groot feest is omdat zij de achterblijvers en verongelukten opruimen. De alk broedt op de steile kliffen. Het is een vogel met een zware snavel waarover een witte loodrechte streep loopt. Ten opzichte van andere alkachtigen heeft hij een nogal gedrongen lichaam. De kleine alk is vrij zeldzaam geworden. Slechts enkele paren broeden nog op het noordelijke eilandje Grímsey. De zeekoet broedt ook op de kliffen. Hij heeft een vrij smalle snavel en is tamelijk rank gevormd. Behalve de standaardvorm komt er ook een ‘gebrilde’ vorm voor. Deze heeft een witte ring om de ogen die in een witte streep naar achter loopt. Naast de zeekoet komt ook de dikbekzeekoet voor. Deze heeft dezelfde lichaamsvorm maar kan aan de witte streep bovenlangs de snavel herkend worden. De snavel is inderdaad ook iets zwaarder maar dat valt niet zo op. Hij is in zekere zin een meer noordelijke variant van de gewone zeekoet. Op IJsland broedt hij relatief meer op de broedkliffen in het noorden en ook zijn wintergebieden op zee liggen veelal noordelijker dan die van de gewone zeekoet. De zwarte zeekoet wijkt sterk af van de vorige alkachtigen. Hij heeft rode poten (net als de papegaaiduiker) en is ’s zomers geheel zwart met een grote witte vlek op de bovenvleugel. Alle andere alkachtigen zijn zwart van boven en wit van onderen. Ook erg karakteristiek is de felrode binnenkant van de snavel. Bovendien broedt zij niet op kliffen maar in zelfgegraven holen. De eieren worden door de IJslanders als delicatesse beschouwd. Op land ziet men hem ook vaak horizontaal zittend, terwijl alken en andere zeekoeten meestal rechtop blijven. De papegaaiduiker is de ster onder deze soorten. De belangrijkste reden is zijn zware felrode en met gele strepen gekleurde snavel. Op een punt wijkt hij qua postuur af van de andere alkachtigen. Waar andere alkachtigen niet recht op hun voeten (kunnen) staan, maar onbeholpen op hun onderpoten (leunend op de knieën), staat de papegaaiduiker wel fier op de voeten. Buiten het broedseizoen is de snavel minder fel. Net als de zwarte zeekoet broedt hij in zelfgegraven holen (bij de papegaaiduiker altijd bovenaan kliffen) en heeft hij ook rode poten. Wereldwijd komen de meeste papegaaiduikers op IJsland voor: zo’n 8 tot 10 miljoen broedparen! Op papegaaiduikers is altijd veel gejaagd om het vlees. Ook tegenwoordig komen ze nog op menu’s voor, bijvoorbeeld op de Smyril-Line. Eenmaal op uw bord is hij echter een zielig mussenlijkje dat taai en prijzig weghapt!

Duiven

Duiven zijn niet karakteristiek voor IJsland. Alleen de (verwilderde) tamme duif (postduif) komt in stedelijke gebieden veel voor. De tortelduif, Turkse tortel en houtduif zijn alle zeldzame verschijningen. Van de Turkse tortel en houtduif is bekend dat zij enkele keren gebroed hebben. De Turkse tortel is opmerkelijk: aan het begin van de vorige eeuw lag de noordelijke grens van zijn verspreidingsgebied nog op de Balkan, maar daarna heeft die zich in noordwestelijke richting sterk uitgebreid en nu is hij zeer algemeen in steden tot aan de Britse eilanden en zuidelijk Scandinavië. De aanpassing aan de menselijke cultuur is van doorslaggevende betekenis geweest, zodat verwacht mag worden dat bij verdere urbanisatie deze vogel zich vast(er) op IJsland als cultuurvolger zal vestigen, maar niet in de ruige natuur!

Zangvogels

Zoals in de inleiding is aangegeven is het aantal zangvogels op IJsland gering. Voor het gemak kunnen zij ingedeeld worden in een groep die uitsluitend aangewezen is op insecten (bv. zwaluwen en kwikstaarten), een groep die gespecialiseerd is in het eten van zaden (bv. vinken en gorzen) en een groep die een tussenpositie inneemt. Overigens worden kuikens van bijna alle zangvogels, ook van gespecialiseerde zaadeters, eerst met insecten en wormen gevoerd! Een aparte groep zangvogels is de familie van de kraaiachtigen. Algemeen voorkomende insecteneters op IJsland zijn de tapuit, de graspieper en de witte kwikstaart. De tapuit is een vogel van woeste gebieden. Op IJsland zit hij het meest in de laaglanden. Sporadisch komt men hem echter tot in de meest onherbergzame delen van het binnenland tegen. Het mannetje is te herkennen aan de blauwgrijze kop en rug en de lichtgelig/oranje keel en borst. Het vrouwtje is bruiner. ’s Winters trekken zij naar Afrika. De graspieper is ook zeer algemeen en wijdverbreid te vinden op IJsland. Hij valt op door een streperig patroon op de borst- en buikstreek die wat gelig van kleur is. De graspiepers op IJsland zijn aanmerkelijk minder schuw dan de Nederlandse soortgenoten. IJslandse graspiepers vertrekken ’s winters naar Zuid-Frankrijk en Noord-Afrika. De witte kwikstaart valt op door de lange staart en de zwart-witte tekening. Zijn gebied is beperkt tot de laaglanden waarbij hij een voorkeur heeft voor vochtige gebieden. Hij overwintert in West-Afrika. Zwaluwen (huis- en boerenzwaluw) en gierzwaluwen (geen zangvogels) komen alleen sporadisch voor als zomergast. Enkele keren komen de huis- en boerenzwaluwen wel tot broeden, vooral in urbane gebieden. Onder de generalisten vinden we vogels die behalve insecten ook allerlei ander voedsel kunnen opnemen als wormen, bessen, zaden, etc. Algemeen op IJsland zijn de koperwiek, de kramsvogel, de merel, de winterkoning en tot op zekere hoogte de spreeuw. Zowel de koperwiek, de kramsvogel als de merel zijn lijsters waarbij de eerste twee een gevlekte buik- en borststreek hebben. De koperwiek is herkenbaar aan de rode flanken onder de vleugels. Hij is een algemeen en wijdverbreide broedvogel die voorkeur heeft voor hogere plantengroei, als berkenstruwelen en ook voor boomrijkere stedelijke gebieden. De kramsvogel en de merel komen voornamelijk als trekvogel voor in herfst en winter. Sporadisch broeden ze op IJsland. De kramsvogel is herkenbaar aan de grijze kop en stuit. De merel is de meest algemene vogel van Nederland en behoeft hier dus geen verdere beschrijving! Beide soorten komen ’s winters over van Europa (Scandinavië). De winterkoning is met de barmsijs (zie verderop) de kleinste algemene vogel van IJsland. Het is een vogel die graag op de bodem vertoeft tussen rommel als dode takken en stenen in allerlei biotopen, ook in urbane gebieden. Het IJslandse winterkoninkje is wat groter en donkerder dan de Europese vorm. Het korte opgerichte staartje is kenmerkend voor de soort. Hij bouwt een gewelfd nest dat ook buiten de broedtijd gebruikt wordt als roestplaats. Het is een standvogel, dat wil zeggen dat hij het gehele jaar blijft. Omdat het zulke kleine vogels zijn is de winterkoning gevoelig voor koude winters. Een zeer koude winter kan de populatie sterk uitdunnen (zie ook de barmsijs). Spreeuwen waren ooit wintergasten en als zodanig komen er nog steeds individuen over uit Europa. Sinds 1940 is hij in het zuiden van IJsland gaan broeden. Hij heeft zich sindsdien verspreid over Zuid-IJsland waar hij vooral te vinden is in bewoonde gebieden (steden, dorpen, boerderijen). Onder de zaadeters zijn de sneeuwgors en de barmsijs algemeen voorkomende soorten. De sneeuwgors komt vooral voor in open steenachtig terrein. Het mannetje is heel eenvoudig te herkennen: geheel wit met donkere vleugels. Het vrouwtje (donkerbruine vleugels, rest lichtbruinig met hier en daar geel/oranje tinten) kan wel verward worden met het vrouwtje van de tapuit, maar de zware vinkachtige snavel onderscheidt deze zaadeter van de insectivore tapuit! Sneeuwgorzen zijn het gehele jaar te zien, maar de meeste IJslandse broeders trekken ’s winters naar Schotland en worden vervangen door Groenlandse broeders. De andere algemene zaadeter is de barmsijs. Ook deze is eenvoudig te herkennen: een klein vogeltje met een rode kruin boven de snavel en een zwarte vlek op de keel. Het mannetje heeft in prachtkleed ook een lichtoranje borst. De rode kruin verdwijnt ’s winters voor het grootste deel. Deze vogel is volledig afhankelijk van bomen en is te vinden in berkenstruwelen, steden en plantages. De soort bestaat uit een groot aantal ondersoorten. Broedvogels op IJsland behoren tot een eigen ondersoort. Soms trekken ze ’s winters naar het zuiden maar soms overwinteren ze op IJsland. ’s Winters kan ook de Groenlandse ondersoort aangetroffen worden maar deze trekt meestal door naar het zuiden. De grootte van de populaties fluctueert sterk. Andere zaadeters als vink, keep en huismus komen langs als wintergast en broeden onregelmatig. De laatste groep van de zangvogels zijn de kraaiachtigen. De raaf is algemeen. Hij broedt op kliffen maar ook in lege gebouwen, torens etc. Deze grote kraaiachtige vogel is te herkennen aan zijn zware snavel. De slechte naam die deze vogel heeft is vooral te wijten aan onbegrip en bijgeloof. De roek, bonte kraai en kauw komen alleen als passanten voor. De gewone zwarte kraai is overigens nog nooit op IJsland waargenomen.

Gerelateerde onderwerpen

  • Landdieren

    IJslander
    Toen de Vikingen in 874 op IJsland aankwamen hadden ze twee soorten levende bagage uit hun vaderland meegenomen, die tot de dag van vandaag uniek binnen de...