Walvisvangst

Eind 1986 kwam IJsland in een negatieve belangstelling doordat het jaarlijks 120 walvissen ving. Hoewel IJsland het internationale verdrag heeft ondertekend dat tot doel heeft een einde te maken aan de commerciële walvisvangst, blijft het deze jacht voortzetten om ‘wetenschappelijke redenen’. IJsland zou in de eerste plaats geïnteresseerd zijn in de gegevens over migratie en voortplanting van deze dieren, maar voor Greenpeace en andere milieubeschermers, en ook voor de overige ondertekenaars, staat vast dat IJsland op deze wijze het verdrag tracht te ontduiken. De IJslandse premier Steingrímur Hermannsson maakte in juli 1986 bekend, er in IJslands enige walvisstation te Hvalfjördur – ten noorden van Reykjavík – voorlopig geen vinvissen meer verwerkt zullen worden. Dit besluit had niets te maken met de teruglopende walvisstand, maar alles met de Amerikaanse dreiging IJslandse visproducten te boycotten, indien dit land zijn walvisvaarders niet uit de vaart neemt. Omdat maar liefst 30% van de IJslandse visexport naar de Verenigde Staten gaat, zou een invoerverbod desastreuze gevolgen kunnen hebben. Enige weken later maakten de kranten melding van een overeenkomst tussen beide landen, waarbij IJsland zich verplichtte het merendeel van de walvisvangst voor eigen consumptie te gebruiken. Dat houdt in dat 51 procent van het vlees aan nertsen en vossen gevoerd zal worden, die op speciale bontboerderijen gehouden worden. Dezelfde dieren worden jaarlijks getrakteerd op ca. zesduizend robben, die vooral voor de kust worden gevangen en die in hun geheel in de snijmachine gaan. Greenpeace reageerde natuurlijk woedend op deze ‘oplossing’ van het conflict. ’Een land dat dieren die met uitsterven zijn bedreigd, voedert aan nertsen en vossen, die voor hun bont worden gefokt, alleen om onder strafmaatregelen uit te komen, verdient het niet straffeloos te ontkomen’, liet deze organisatie weten. Dat gebeurde dan ook niet, want de Amerikaanse actiegroep Sea Sheperd, een afsplitsing van Greenpeace, bracht in november twee IJslandse walvisvaarders tot zinken. In de haven van Reykjavík waren actievoerders aan boord van de Hvalur-6 en Hvalur-7 geslopen, die onbemand aan de kade lagen, en hadden kleppen in de machinekamer opengezet. Gelijktijdig werd het interieur van de walvisverwerkingsfabriek in Hvalfjördur met voorhamers bewerkt. De IJslandse regering en de publieke opinie reageerden furieus op deze sabotagedaden. De premier sprak van terrorisme, waar Sea Sheperd het natuurlijk niet mee eens was, want hun motieven waren van ideële aard. Wat de walvissen betreft, is men in noordelijke streken verder beducht voor een te snelle toename van hun aantal, als de jacht erop helemaal wordt stilgelegd. Het gevolg zou zijn dat de kabeljauwstand en de stand van andere commerciële vissoorten bedreigd zou worden. ’Een vinwalvis vangt evenveel vis als een trawler’, zei premier Hermannsson indertijd, ‘en als die zich onbelemmerd kunnen vermeerderen, dan zijn de visvoorraden in een paar jaar op’. De natuurbeschermers verweet hij dat zij ‘niets van het natuurlijk evenwicht op zee afweten’ en dat zij van de walvis een soort ‘schoothondje’ hebben gemaakt. In augustus 2003 gebeurde hetzelfde. Er werden gedurende 2 maanden 37 walvissen gevangen voor ‘wetenschappelijk onderzoek’, wat uiteraard weer de nodige protesten opleverde. Veel reizen werden uitgesteld of afgezegd, ook vanuit Nederland en België waren er tientallen mensen die hierdoor besloten niet naar IJsland te gaan. In oktober 2006 kondigde de IJslandse regering aan dat ze de commerciële walvisvangst zou hervatten, ondanks een internationaal moratorium. Enige dagen later vingen vissers na 21 jaar weer een 20 meter lange vinvis, waarmee IJsland het internationale verbod op de walvisvangst officieel schond. Na Noorwegen en Japan is IJsland daarmee het derde land dat dit doet.