Zandgebieden

Grote engelwortel
Grote engelwortel

Als er iets is wat indruk maakt op de meeste Nederlandse toeristen zijn het wel de uitgestrekte zandgebieden die totaal onbegroeid lijken. In de binnenlanden gaat het dan veelal om vulkanische afzettingen waar planten niet of nauwelijks op kunnen gedijen. Een soort die zeer karakteristiek is voor echte zandgronden is de zandhaver (Leymus arenarius). Hij groeit vooral op lage duintjes langs zeekusten en op rivierduintjes nabij de zee maar opmerkelijk ook in een brede strook in de woestenij van de noordrand van de Vatnajökull tot aan de noordkust. U kunt hem daar vooral zien op zandduintjes die door wildere smeltbeekjes zijn afgezet.

Op deze duintjes komen ook de beide engelwortelsoorten voor: de grote engelwortel (Angelica archangelica, ook wel aartsengelwortel genoemd) en de gewone engelwortel (Angelica sylvestris). Hoewel beide soorten ook in andere milieus te vinden zijn, zijn het toch wel typische soorten van zanderige oeverduintjes. Beide zijn forse schermbloemige planten (50 tot 150 cm.) De gewone engelwortel komt het meest in de laaglanden (kuststreken) voor en is te herkennen aan de tamelijk platte schermen, relatief lange bloeistengels en fijnere bladeren. De grote engelwortel komt bijna overal voor: van de hooglanden tot de vogelbroedkliffen. De bloeischermen zijn bol, de bloeistelen relatief kort en de bladeren veel grover dan de gewone engelwortel.

Gerelateerde onderwerpen

  • Soorten van vochtige plaatsen

    Scheuchzer's wollegras
    Een van de meest opvallende planten in dit milieu is de geelbloemige dotterbloem (Caltha palustris). Deze forse plant (30 cm, bloemen 4 cm) ziet men ook veel...