De Griekse kolonisatie

De Griekse kolonisatie van Zuid-Italië en Sicilië vond plaats tussen 750 en 550 v.C. en werd veroorzaakt door diverse factoren, zoals overbevolking van de steden, politieke en sociale conflicten en zin voor avontuur. Men ging scheep, na eerst het orakel te hebben geraadpleegd. De nieuwe nederzettingen waren zowel handelsposten als agrarische kolonies. Men nam de cultuur en zeden van de moederstad mee.

Op Sicilië was Naxos de eerste Griekse kolonie, in 734 gesticht door de Chalkidiërs. Door het stichten van een reeks van steden langs beide oevers van de Straat van Messina kregen de Grieken de handelsroute naar de Tyrrheense kust in handen. Zo werd Syrakusai op het eilandje Ortygia gesticht in 733, Leontinoi (Lentini) en Katane (Catania) in 729, Megara Hyblea in 727, Zankle (Messina) in 628. Aan de noord- en zuidkust Mylai (Milazzo) en Gela in 688, Selinunte in 628 en Akragas (Agrigento) in 581; het eiland Lipari werd van 590 af gekoloniseerd. De Grieken waren vooral handelaars; de inheemse bevolking werd deels onderworpen en gedwongen om landarbeid voor de nieuwe heersers te verrichten. Zij koloniseerden het hele eiland, met uitzondering van het noordwesten, waar de Phoeniciërs en de Elymi woonden.

De Phoeniciërs werden gesteund door de machtige Phoenicische kolonie Carthago. Soms riepen Grieks-Sicilische steden Carthago te hulp tegen rivaliserende andere Griekse steden.

In de 6e en 5e eeuw v.C. streefden de steden van Magna Graecia naar onafhankelijkheid van het moederland. In dit proces speelden de ‘tirannen’ een grote rol. Zo heerste Hippocrates in Gela, Anaxilaus in Rhegion (Reggio) en Theron in Akragas. Na de dood van Hippocrates werd Hielon tiran van Gela. Hij veroverde Syracuse en vestigde daar zijn gezag. Syracuse vergrootte haar machtsgebied en werd één van de belangrijkste economische, politieke en culturele centra van het Middellandse-Zeegebied. Dit nu werd gevaarlijk voor Carthago. Toen Theryllus, de tiran van Himera, Zankle en Selinunte, die bevreesd was voor de machtige buurstad Syracuse, Carthago om hulp vroeg, stuurde die stad een groot leger onder Hamilcar naar Sicilië. Een zware veldslag vond plaats bij Himera in 480 v.C. Hielon wist de Carthagers met hun bondgenoten te verslaan en maakte veel steden, zoals Rhegion en Selinunte, tot bondgenoten. In 478 volgde Hiëro zijn broer Hielon op. Hij voltooide de bezetting van het eiland en breidde zijn invloed ook uit over de Ionische en de Tyrrheense kust van het vasteland. Zo veroverde hij het eiland Ischia en stichtte Neapolis (Napels), bij het vroegere Partenope.

In dezelfde periode was Athene onder Perikles op het toppunt van haar macht. Zij probeerde de westelijke handelsroutes in handen te krijgen. Daartoe sloot Athene verdragen met Segesta en Leontinoi (444/443 v.C.). Ook stichtte zij de kolonie Thurii bij het verwoeste Sybaris aan de Ionische Zee. Na de vrede van Gela (425) tussen de rivaliserende Griekse steden kwam Segesta in conflict met Selinunte, waardoor de Atheners een excuus vonden om zich daarin te mengen. Andere Grieks-Sicilische steden, beducht voor de overmacht van Syracuse, steunden Segesta. Een grote Atheense expeditiemacht werd echter in 413 door Syracuse verslagen, met behulp van Sparta en Korinthe, de oude rivalen van Athene. In 410 werd Syracuse echter op haar beurt verslagen door Carthago. Op verzoek van Segesta, dat steeds in strijd bleef met Selinunte, werd die stad verwoest, evenals Himera (408) en werden Akragas en Gela in 406 verslagen. In het nu zo bedreigde Syracuse werd Dionysios tot ‘enige strateeg’ benoemd tegen het Carthaagse gevaar. In 405 sloot hij vrede met Carthago, waarbij Gela en Kamarina werden opgegeven en de Carthaagse heerschappij werd erkend over een groot deel van Sicilië. Intussen versterkte Dionysios het leger, waarbij nieuwe wapens werden toegepast. In zijn 38 regeringsjaren slaagde hij erin ook een groot deel van Calabrië te veroveren. In 339 landde een nieuw Carthaags leger op Sicilië, dat de Syracusers onder Timoleon versloeg bij Segesta. De grens tussen beide machten kwam te liggen langs de Halykosrivier. In 310 landde de nieuwe tiran van Syracuse, Agathocles, voor het eerst op de Afrikaanse kust. De vrede van 306 veranderde weinig. Agathocles stichtte een politiek verbond tussen de Griekse ‘poleis’ (steden) van Magna Graecia, inclusief die van Calabrië (Bruzio) en Apulië, maar na zijn dood in 289 viel dit weer uiteen door onderlinge naijver.

 

De Siciliaanse Veldtocht van Athene

In 415 v.C. hees de grootste vloot, ooit door een Griekse stad uitgerust, 134 schepen met 32.000 man, de zeilen en zette koers naar Sicilië, om af te rekenen met de aartsrivaal Syracuse. Voordat dit kon beginnen, verscheen echter het Atheense vlaggeschip, met het bevel voor de aanvoerder Alcibiades om direct terug te keren en voor het gerecht te verschijnen wegens godslastering. Onderweg ging hij in Zuid-Italië aan land en verdween. Alcibiades werd bij verstek ter dood veroordeeld. Nu zwoer hij wraak op zijn oude vaderstad door de erfvijand Sparta zijn diensten aan te bieden. Hij haalde Sparta over, een vloot naar Syracuse te sturen om die stad bij te staan tegen de Atheners. Zo werden dezen verpletterend verslagen. Een deel van het eens zo trotse leger werd opgesloten in de steengroeven van Syracuse en een deel als slaven verkocht (413). Nog nooit hadden Grieken zo’n ramp meegemaakt. Honderd schepen en 30.000 manschappen waren verloren gegaan. De staatskas was leeg en de macht van Athene gebroken.