Het Normandisch-Zwabische koninkrijk

De verovering van Sicilië door de Noormannen of Normandiërs begon in 1061 met de inname van Messina door Roger I de Hauteville en eindigde in 1091 met die van Noto als laatste Arabische vesting. In 1130 werd Roger II gekroond tot koning van Apulië, Calabrië en Sicilië. De Normandiërs lieten de bestaande instituties voortbestaan en verleenden aan Grieken en moslims vrijheid van godsdienst. Later, toen het Christendom van Rome tot officiële godsdienst werd verklaard, begon een grootscheepse latinisatie, die veel moslims ertoe bracht zich op het binnenland terug te trekken.

Alleen Normandiërs konden kastelen bezitten, waardoor een machtige stand van edelen ontstond, die heerste uit naam van de koning. Sicilië bleef hoogst belangrijk als centrum van handel en cultuur tussen oost en west en tussen Europa en Afrika. De dood van koning Willem III in 1198 luidde een gevaarlijke tijd van politieke instabiliteit in, omdat de baronnen Willems dochter Constanza niet erkenden als troonopvolgster. Haar echtgenoot, keizer Hendrik VI, veroverde delen van het eiland. Bij zijn dood volgde zijn zoon Frederik II hem op. Deze werd in 1212 gekroond door paus Innocentius III, waardoor het Zwabische Huis (De Hohenstaufen) aan de macht kwam. Frederik II herkreeg de macht over de feodale heersers en legde dit vast in de Constitutie van Melfi (1231), waardoor een centralistisch koninkrijk ontstond.

Bij Frederiks dood in 1250 werd Sicilië verscheurd door strijd tussen de baronnen en de steden. Dezen waren voor Karel van Anjou, die door paus Clemens IV in 1265 was aangewezen als koning. Toen Karel Frederiks zoon Manfred bij Benevento had verslagen (1266) was Sicilië al in een economische crisis verzonken. Franse ridders streden met Normandische edelen om de macht en Napels verving Palermo als hoofdstad van het rijk. De spanningen ontlaadden zich in de ‘Siciliaanse Vespers’, een opstand tegen de Fransen in 1282. De Fransen werden verjaagd en het parlement riep Manfreds schoonzoon Peter III van Aragon uit tot koning van Sicilië. In 1302 werd Sicilië toebedeeld aan Frederik III van Aragon, terwijl Napels met Zuid-Italië toeviel aan Karel van Anjou.

De Normandische verovering van Zuid-Italië

Deze episode is begonnen als het familieverhaal van het geslacht de Hauteville. De verfranste Noorman Tancred, die enig land in Normandië bezat, had uit twee huwelijken twaalf zonen. Hij schonk zijn bezit aan zijn vierde zoon en spoorde de anderen aan, hun geluk door moed en talent elders in de wereld te gaan beproeven. Bij hun stoutmoedige zeereizen hadden de Noormannen onder Rainulf al een steunpunt in Italië verworven, nl. de stad Avera bij Napels. Daarheen trokken toen drie zonen van Tancred in 1036. De situatie voor krijgslieden was er gunstig: de Noormannen waren begeerd als huursoldaten en condottieri (legeraanvoerders) in de voortdurende machtsstrijd tussen Longobarden en Byzantijnen. Bij een Byzantijnse aanval op de Saracenen in Sicilië kreeg Willem de Hauteville op het slagveld de erenaam ‘fer-de-bras’, ijzeren arm. Willem volgde als bevelhebber Rainulf op, zijn broer Drogo werd graaf van Apulië en de derde broer Humfried werd graaf van Lavello.

Toen Willem in 1046 overleed, volgde Drogo hem op. Kort daarop landde een jongere broer, Robert, bijgenaamd ‘Guiscard’ (de sluwe). Deze werd roofridder in Calabrië, trouwde met zijn tante Alberada en kreeg een zoon, die later de beroemde kruisridder Bohemund van Antiochië werd. Drogo werd in 1051 vermoord en opgevolgd door zijn broer Humfried. Twee jaar later poogde paus Leo IX de Noormannen met een legermacht te verdrijven, maar dit leger werd verslagen door de ruiterij van Humfried en Robert. Na Humfrieds dood in 1057 werd Robert Guiscard de machtigste heerser. Hij noemde zich ‘beschermer van de paus’ en hertog van Apulië en Calabrië. Nu scheidde hij van Alberada en trouwde de krijgshaftige Sichelgaita, zuster van de Lombardische koning van Salerno. Toen verscheen de jongste broer, Roger, in Italië. Terwijl Robert het laatste Byzantijnse bolwerk in Italië, Bari, veroverde, werd Roger heerser over Sicilië. Bari viel in 1071, Palermo in 1072. Zo hadden de Normandiërs de Byzantijnen verjaagd en de Saracenen bedwongen.

Intussen wilde de Duitse keizer Hendrik IV de smaad van zijn knieval voor paus Gregorius VII in Canossa wreken door een leger naar Rome te sturen. De paus smeekte de Normandiërs om hulp. Robert Guiscard bevrijdde de paus en liet Rome plunderen (1084). Gregorius werd naar Salerno gebracht, waar hij in 1085 stierf. Kort daarop stierf ook Robert Guiscard. Nu werd Roger de machtigste. Hij stichtte een dynastie met Sicilië als thuisland en Palermo als hoofdstad. Zijn zoon Roger II werd in 1130 tot koning van Sicilië gekroond en werd één van de vooraanstaande vorsten van Europa. Aan zijn hof heerste een sfeer van cultuur en welvaart, maar ook van verdraagzaamheid tussen Arabieren, Joden en Grieken. Sicilië werd een zeemacht, met Arabieren en Grieken als scheepsvolk.

Frederik II en de Saracenen

Toen keizer Frederik II (1197-1250), bijgenaamd ‘Stupor Mundi’ (wereldwonder) de strooptochten van de Saracenen op Sicilië beu werd, vond hij een even originele als afdoende oplossing. In plaats van te streven naar een militaire vernietiging nam hij ze gevangen en plantte ze over, met hele dorpen tegelijk, naar Apulië. Daar lag de Romeinse stad Luceria in puin. De weinige christelijke inwoners werden vervangen door enkele tienduizenden Mohammedanen. De kathedraal werd in een moskee veranderd en er heerste geloofsvrijheid, dit tot afgrijzen van de paus en veel tijdgenoten. Zo ontwikkelde zich onder de Saracenen een ongekende aanhankelijkheid en trouw jegens de keizer. Deze recruteerde uit hen zijn lijfwacht, die hem overal begeleidde, zelfs in de strijd tegen hun geloofsgenoten. Frederik kreeg ook als bijnaam ‘de gedoopte sultan’. De reizen, die Frederik geregeld maakte, naar Calabrië en Sicilië leverden een bont schouwspel op: olifanten, kamelen, draagstoelen met haremdames, bewaakt door de Saraceense lijfwacht te paard, de keizerlijke jachthonden, valken en jachtluipaarden, die op paarden gezeten meereden in de stoet. De karavaan weerspiegelde het half westerse, half oosterse karakter van het weelderigste hof van Europa.